Aanhalingstekens bij Reve

Door J.L. Dijkhuis

In de tram kan George Speerman, hoofdpersoon van De stille vriend, zijn ogen niet afhouden van een jongeman schuin tegenover hem: het kan niet anders of het is dezelfde Marcel die hem ooit eenmaal in het kader van de herenliefde thuis opzocht, een paar dagen later met een zelfgebakken vis kwam aanzetten en vervolgens spoorloos verdween. Maar zelfs wanneer Speerman, desgevraagd, zijn oude vlam de juiste uitstaphalte wijst wordt hij niet herkend, en dus troost hij zich, na een weemoedige terugblik op hun kortstondige romance, in de laatste hoofdstukken van De stille vriend met een dagdroom over een betrouwbaarder type:

Dienstplichtig soldaat Hansje kwam dan op de grond naast Speerman zitten […]. ‘Hansje’, een blond, slank, bijna meisjesachtig diertje van een jongen, en Speerman, hadden zich reeds bij hun allereerste ontmoeting op onwederstaanbare wijze tot elkander aangetrokken gevoeld. […] Soldaat Hansje heette voluit Hans van Dommelen.

p 108

De tweede keer dat deze fictieve wapenbroeder genoemd wordt krijgt zijn naam merkwaardigerwijze ineens aanhalingstekens, die echter niet terugkeren bij de beschrijving van zijn navolgend, tamelijk onmilitair gedrag. Enig geblader wijst uit dat ook de naam van Marcel in De stille vriend af en toe van plotselinge aanhalingstekens werd voorzien. Waarom? De Schrijfwijzer laat het afweten. 

Wie, geïntrigeerd geraakt, in ander werk van Reve op zoek gaat naar eigennamen met en zonder aanhalingstekens treft bij 26 verhaalpersonen dezelfde mysterieuze leestekens aan. In Bezorgde ouders, bijvoorbeeld, maakt de tegenover Artis wonende Treger, naar aanleiding van een krantenbericht over een dierenverzorger, zich opvallend druk over diens voornaam: ‘Dat die jonge oppasser Gerrit heette? Waarom of van wie mocht een jonge oppasser geen Gerrit heten? […] En verzon hij het nu of kon het echt zo zijn dat hij die jonge oppasser, door een collega of superieur of bezoeker, met de naam Gerrit had horen aanspreken?’ (p 88) Dicht op diens huid kruipt hij door vervolgens te bedenken: ‘Maar misschien had die ‘Gerrit’ zelf geen moeder meer’, wat hem zo aangrijpt dat hij ‘in gedachten het warme, door zijn dierenzorg gespierd geworden lijf van Gerrit tegen zich aandrukte, om deze gerust te stellen […].’ (p 90) Wanneer deze Gerrit/’Gerrit’ zowaar Rinus blijkt te heten komt ook die naam met en zonder leestekens voor (p 262-63), terwijl een `à la Hansje uit De stille vriend opgeroepen ‘Arnold’ zijn leestekens meteen weer kwijtraakt (p 115); bovendien wordt ook een tevergeefs benaderd Artis-bezoekertje  met de naam Harold of Harald – Treger verstaat het niet goed – daar eenmalig van voorzien. (p 282)

Structuur

Tweevoudige persoonsregistraties als deze blijken echter alleen voor te komen na Op weg naar het einde, in 1963 Reve’s eerste brievenboek. Van een plot moest diens vroegere werk het al niet hebben, maar na 1963 behelst alle verhaalopbouw – in brievenboeken uiteraard a priori ontbrekend – niet meer dan het aanbrengen van een proloog en een epiloog (Oud en eenzaam, 1978), het construeren van een raamvertelling (Een circusjongen, 1975) of het op willekeurige momenten plaatsen van op elkaar aansluitende hoofstuktitels (De taal der liefde, 1972); bij Het hijgend hert (1998) krijgt de lezer de indruk een misdruk in handen te hebben wanneer met het laatste hoofdstuk niets wordt afgesloten. Alleen formele kunstgrepen wijzen dan nog op een schrijver-supervisor, en zelfs in het bij uitzondering met een soort intrige bedeelde De vierde man (1981) vraagt de verteller zich aan het slot af of het wel een verhaal mag heten wat hij heeft opgedist (p 145), een overweging die ook voorkomt in Bezorgde ouders (p 306-08). Kortom, zoals de schrijver zelf te verstaan geeft in een interview uit 1966:

Men vraagt mij wat ik beleef, ik lul maar wat over wat ik zie en meemaak, het ontslaat mij van de verplichting om werkelijk een afgerond geheel met kop, staart etc. te leveren.

In gesprek, p 96

Dat lijkt ver af te staan van wat Reve in 1961 liet optekenen over de functie van ‘eigenlijk alle literatuur, alle kunst’ in een aan Tien vrolijke verhalen voorafgaand auto-interview, namelijk: ‘overwinning op de chaos, de chaos overweldigen en bedwingen’ (p 11), ook al is het wereldbeeld van de protagonisten in Reve’s geschriften na Op weg naar het einde nog wel steeds dat van Elmer in Werther Nieland (1949):

Wel zag ik in dat het onmogelijk moest zijn alles wat er gebeurde te begrijpen en dat er dingen waren, die raadselachtig bleven en  een mist van angst deden opstijgen.

p. 18

Alleen heeft de schrijver sinds het verschijnen van de eerste brievenboeken er kennelijk van afgezien om nog te proberen in de hem omringende chaos met literaire middelen lijn te brengen: 

Zo begint weer, onafwendbaar, de voortschuiving van mijn herinneringen, die ik ditmaal besloten heb niet te verzegelen, want misschien is de tijd nabij, waarop al deze ongeloofwaardige en nooit ergens verband mee houdende invallen, nauwelijks verwoordbaar, als flarden van niet voleindigde gesprekken en nooit voltooide, dubbelzinnige beweringen zonder duidelijke herkomst, tezamen gevoegd zullen worden tot een door mij nimmer geweten profetie.

Nader tot U, 1966, p 60

Ordening

Daarmee bleek de weg vrij voor thema’s als revisme, Meedogenloze Jongen, Zinloos Feit, alsook voor frivoliteiten als spellinggrapjes, archaïsmen, spreektaalvaria, een categorie waarin ook de eigennamen mét c.q. zonder aanhalingstekens thuis lijken te horen. Zo krijgen bij- of koosnamen als Woelrat en Jakhals normaliter geen aanhalingstekens, maar wordt Bullie van der K. uit het naburige P., zonder aanhalingstekens gesprekspartner in Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard (1967), in Brieven aan geschoolde arbeiders (1985) ‘Bullie van der K. uit het naburige P.’ (p 71) In De vierde man gaan bij een lonkende voorbijganger de aanhalingstekens over op de plaats van ontmoeting: ‘die jongen van de ‘Kamperfoeliestraat’ (p 73), wat leidt tot: ‘mijn naamloze ‘Jongen van de Kamperfoeliestraat’.’ (p 115) In een karakteristiek-Reviaanse mengeling van tobberige herinneringen, ontboezemingen over de Meedogenloze Jongen en aanroepingen van de godheid wordt als van dezelfde orde ook ‘Bosdrift’ opgenomen, het afzenderadres van een eerder geciteerde boze-lezersbrief. (Nader tot U p 54-55) En met ‘Albert S., die ik ‘de oude’ noem’ (Een eigen huis, p 72), ofwel ‘Albert S. (‘oude’ Albert)’ (Lieve jongens 1973, p 108), ‘de oude Albert S.’ (idem, p 138) en ‘de ‘oude Albert S.’’ (Archief Reve 1961-1980, p 58) wordt, bij wijze van running gag, blijkbaar een privé-vete uitgevochten: het betreft ‘de oude Albert Gerrit S. Komrij’ (Brieven aan Simon Carmiggelt (1973) p 204), terwijl ‘de ‘oude’ Albert S. schrijft onder het pseudoniem ‘Gerrit Komrij’’. (idem)

Op één na, waarover later, zijn dit ook meteen álle uitzonderingen. De overige schijnbaar lukraak uitgedeeld lijkende aanhalingstekens rond persoonsnamen blijken uitsluitend te zijn gebruikt wanneer verteller of hoofdpersoon genegen is over te gaan tot desnoods denkbeeldig blijvende avances – en dat is schering en inslag. Kenmerkend, bijvoorbeeld, is de passage in Nader tot U (1966) waarin de ik-persoon een geheel reukloze jongeman ontmoet van wie gemeld wordt: ‘Zijn voornaam bleek Gerard te zijn’ (p 95), hetgeen nog eens bevestigd wordt: ‘Gerard – ik weet nu wel zeker dat hij zo heette –‘ (p 96), maar zodra het tot gewenste intimiteiten lijkt te komen wordt het ‘Gerard’. (p 97) Wanneer de verteller daarna – gebrek aan lichaamsgeur blijkt toch te bezwaarlijk – zijn gedachten richt op Gerards afwezige vriend, straaljagerpiloot Frans (‘want zo heette de jongen’, p 101), gaan de aanhalingstekens over op diens naam, immers: ‘Als ‘Frans’ zich de vruchteloze attentsies van [Gerard]  liet welgevallen, hoeveel gemakkelijker zou ik mij dan met hem kunnen verenigen.’ (p 104) Evenzo verloopt de toewijzing van aanhalingstekens in De vierde man. Hoewel tot zijn eigen verbazing verwikkeld in een verhouding met zijn gastvrouw, die van Christine al ‘Christine’ geworden is (p 16, 18), richt de hoofdpersoon bij nader inzien zijn zinnen toch maar op haar vriend Herman, die na een blik op diens foto is gepromoveerd tot ‘‘mijn’ mysterieuze, overweldigende, fatale ‘Herman’ (p 86), want, zo houdt hij zich voor, op haar Herman hoeft Christine niet meer te rekenen. In Wolf (1983) is de verteller dermate verrast een hem welgezind persoon te ontmoeten, zich voorstellend met: ‘Ik heet Jopie’ en ‘Nou ja, eigenlijk Joop. Maar ze zeggen altijd Vos’, (p 120) dat het al ‘Joop’ en ‘Vosje’ geworden is voor er zeker van te zijn deze inderdaad aan de haak te hebben geslagen: ‘Als hij Vos … als hij ‘Vosje’ eens binnen vroeg?’ (p 121) 

De schijnbare wildgroei aan Reve’s aanhalingstekens rond eigennamen blijkt dus terug te brengen tot een patroon. Zoals in alledaagse schrijftaal de aanhalingstekens kunnen dienen om een woord te ontheffen van zijn gebruikelijke betekenis, lijkt het Reve-personage, indien daarvan voorzien, uit de verhaalwerkelijkheid te zijn opgeheven en aldus aan te geven van de verteller te zijn. Vandaar dat de eigennaam, als in de bovenstaande passages, eerst zonder aanhalingstekens voorkomt, om pas daarmee te worden gesierd wanneer de gewenste toeëigening – al of niet in gedachten – heeft plaats gehad; daarna – mits een personage vaker voorkomt dan op een enkele bladzij – maakt het niet meer uit of het al of niet van surprise-leestekens wordt voorzien. 

Van dit inwijdingsritueel werd slechts in twee gevallen afgeweken: in De taal der liefde (1972) krijgt ene ‘Peter’ meteen aanhalingstekens om er daarna consequent van te worden ontdaan (p 20, 22-32), in Moeder en zoon kan degene die ‘ – hoe ik er nu op dit ogenblik bij kwam mocht God weten – ‘Konstantijn’ heette’ het blijkbaar niet stellen zonder, maar deze komt niet meer dan tweemaal voor. (p 77, 78) 

Noodlot

Zoals hierboven aangekondigd bleef echter bij het toekennen van aanhalingstekens één variant nog ongenoemd, en die is van totaal ander kaliber:  

[…] mijn gedachten waren elders, of nergens… Niet meer bij het verhevene, of hoe je je ‘God’ en Diens soortelijk gewicht diende voor te stellen: wat een treurige onzin allemaal…

Moeder en zoon, 1980, p 269

Wat nu? Voor promotie per aanhalingsteken naar Reve’s privé-hemel komt een ‘God’ niet in aanmerking. En dat terwijl – al raakt de Spellingwijzer nu wel heel ver uit zicht – de onderscheidingstekens, waarmee de schrijver in zijn almacht de personages licht uit hun ordeloze context, om ze, hoe toepasselijk, even – of langduriger – aan te halen, bij wijze van minimaal schietgebed aan een hogere macht ook hadden kunnen dienen als voorbeeld ter navolging. Van nog niet aan de verhaalwerkelijkheid ontstegen leestekenloos verhaalpersoon is het immers maar een stap naar het zichzelf als fictief beschouwende personage, zoals in Tien vrolijke verhalen uit 1961:

Ik  bedacht hoe ik altijd mensen benijd had die van zichzelf in een of twee regels konden zeggen wie en wat zij waren, leeftijd, beroep, burgerlijke stand, beroep ouders. Ik ben helemaal niets, bedacht ik…

p 156

Of zoals Speerman uit De stille vriend verzucht: ‘Wat was waar, wat was echt, en wat was niet echt? Bestond hij zelf wel echt?’ (p 61), en ook daarmee tobt de verteller in Oud en eenzaam: ‘Ik had de vreemde gewaarwording […] dat ook ikzelf een leugen en een verzinsel was’ (p 254), wat uiteraard wordt weerspiegeld in Frits van Egters’ getuigenis tegenover zijn konijn aan het slot van De avonden: ‘Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen, ik leef.’ (p 200) 

Maar van een ‘God’ was niets te verwachten, beproevingen konden niet uitblijven. Een wereld vol ‘Hansjes’ en ‘Vosjes’, meer zou het niet worden.   

Dit is een herziene en uitgebreide versie van het artikel dat als ‘Leesteken en Opperwezen’ met een alle samenhang te niet doende drukfout verscheen in Vooys 15, nr 3, juli 1997 (p 40-43). 
Behalve bij De avonden (vierde druk, 1959), werd geciteerd naar de eerste druk.