Teruglezen

Door Marc Kregting

Als hapsnaplezer die probeert te werken aan uiteenlopende projecten bid ik dat elke titel die me onder ogen komt meervoudig rendeert. Zowel voor iets over stijl als over vallen leende ik bij de bibliotheek daarom Over de liefde (2008) van Doeschka Meijsing.

Mijn bede kwam uit. Deze roman is prachtig gestileerd, bijna ouderwets als ik mijn stellingen goed begrijp. Bij Meijsing is iets bijvoorbeeld ‘vergroofd door de smaak van wereldburgers’ en meteen wist de Goofy in mij bijna zeker dat dit weggedeemsterde werkwoord zich onberispelijk houdt tegenover de kofschipregel. Mijn valfocus werd evenzeer bijgeborsteld. De hoofdpersoon Pip, was me verteld, gaat miraculeus onderuit op een terras. Zo geschiedde nu ook voor mijn blik, bovendien in één trage, weergaloze zin. Pips relatiebreuk en geheugen kregen valmetaforen en varianten daarop.

Ik was kortom dik tevreden. Wel liet, bij de ouder wordende man die ik nu eenmaal ben, de bril van heden zich gelden. Vrij in het begin van Over de liefde meldde Meijsing: ‘Het was een wondermooie dag in november, de zon scheen stralend, alle bladeren zaten in hun goudkleed nog aan de bomen en de temperatuur zou wel eens op kunnen lopen tot zeventien graden, hadden ze voorspeld. Het was de klimaatverandering, zei men overal, maar intussen genoot men ervan.’

Hierbij kon ik dan wel de ongewoon lang geworden nevenschikkingsadem meeblazen inclusief de vele komma’s die naar mijn gevoel inmiddels dikwijls punten worden, er was ook nog zoiets als de wereld buiten een taal. De roman bevestigt dat klimaatverandering een decennium terug evengoed onderkend werd, ook door literatoren; het bepaald lidwoord demonstreert dat die kennis godzijdank algemeen was. Meijsing laat dit gegeven rusten. Ze verbindt het met een ongedifferentieerd ‘men’ en richt zich terug op een binnenwereld. Van Pip dus, schrijfster te Amsterdam die vele vrienden en drinkgenoten in de kunstbranche heeft maar vooral, intelligent en onhandig, zoekt naar verheffing van haar eigen bestaan dat een dieptepunt heeft bereikt.

Het omgevende wordt in panache en kunde gehuld voor zover het zich binnen het directe blikveld ophoudt of heeft opgehouden – als decor van een levensverhaal. Zo bericht Pip over haar arcadisch gesitueerde middelbare school: ‘We praatten over die gekke, oude school die nog in een grote villa was gehuisvest aan de rand van de Hout, met een grote tuin eromheen, waar later de noodlokalen werden gebouwd voor de tsunami van babyboomers, van wie ik er een was.’ Aan de ene kant getuigt zo’n slotmetafoor van zelfrelativering. Of zelfhaat misschien, door zich te rekenen tot een tsunami die immers natuur verdelgt en dood zaait onder mensen die in de nabijheid zijn. Anderzijds begon Geert Wilders het fenomeen in 2006, na de pijnlijke kennismaking door de wereld met de tsunami in 2004 en voor voltooiing van Over de liefde, te gebruiken als metafoor in zijn islamstrijd.

Mijn zogezegd retrospectieve verwarring over de roman is het grootst door een vergelijking. Na een zware wandeltocht door Siciliaanse bergen getuigt Pip: ‘Bij de eerste slok water voelde ik me als een bootvluchteling die Europa heeft bereikt, armzalig, modderig en uitgeput’. Met de kennis van heden is het goedkoop om de vergelijking te schandpalen. Maar ik meen dat ze destijds even misplaatst was. Uit de roman blijkt dat Pip wel een slok lust. Water behoort niet tot haar meest vertrouwde dranken. De nood die ze ervaart na een lichamelijke inspanning getuigt van wat first world problems zijn gaan heten. Een moralistisch verdict over wat Doeschka Meijsing aan lezers toont?

Drie decennia na haar Revisor-tijd toen bootvluchtelingen uit Vietnam kwamen, schreef ze met Over de liefde nog altijd een structuralistische roman waarin geen vogel zonder reden van het dak valt. Zo kan de bootvluchteling de slotscène voorafspiegelen. Daar dineert Pip pal aan de Prinsengracht op een feestje van haar ex-geliefde en slaat bij het opstaan voor een speech, in weer zo’n uitgesponnen zin, achterover in het water om na een tochtje in haar knappe schoolslag verderop aan wal te komen. Ik ben bovendien te weinig onderlegd om te achterhalen of Over de liefde, dat een mythische aanschijn biedt, met de bootvluchteling zinspeelt op Hades, Charon en meer van dat natte onderwereldse. Dan zou Pip, uiteindelijk ontsnappend aan de dood, haar depressie te boven komen en kiezen voor het leven. En zou de vergelijking exclusief literair-historisch zijn, met de werkelijkheid als bijverschijnsel.

Dat me dit ontgoochelt, legt een illusie in de andere richting bloot die ik bij schrijvers heb: dat ze de wereld uitbreiden met betekenis. Over onderhavig thema word ik op mijn wenken bediend door Willem Schinkel, die in Politieke stenogrammen – een boek waar veel goeds over te melden valt, behalve over de taal – een verrassende observatie doet:

Vluchtelingenopvang is eigenlijk een vreemd woord. Alsof vluchtelingen uit de lucht komen vallen en opgevangen moeten worden. Een dergelijke metaforische verticalisering van het vluchten snijdt die beweging los uit het horizontale vlak van relaties waarin het land van opvang altijd mede geïmpliceerd is, en waarin het dus nooit geheel los van de reden van vluchten gezien kan worden.

Of waan ik me spekkoper vanwege een gratis rendement voor mijn valproject?

Ondertussen heeft verandering van klimaat sinds Meijsings debuut zeker plaatsgehad in de literaire infrastructuur. Zo ook in de kritiek. Een straffe ‘casus’ behandelen Nina Polak en Joost de Vries in hun eigenaardige essaybloemlezing De wereld in jezelf. Marja Pruis’ De Nijhoffs en ik, een verhalende biografie over de vrijgevochten vrouw van de klassieke Nederlandse dichter, was als debuut in 1999 ‘ongenadig hard afgefakkeld’ omdat de auteur zich naast haar onderwerp drong, stellen Polak en De Vries. Twee decennia later bij de heruitgave werd zo’n prominent eigenzinnig ik ‘unaniem geprezen’.

Waren die de oordelen echt zo waterscheidend? GoPress geeft meteen twee lange recensies op het initiële Nijhoff-boek in De Standaard en De Morgen, die kritisch waren maar bovenal welwillend. Het zou me niet verwonderen wanneer de bloemlezingspertinentie voortkomt uit beaatheid. In zijn pamflet Echte pretentie bedankt De Vries Pruis niet alleen boven andere meelezers, maar heeft het ook over een Engels gedicht dat in zijn hoofd zit sinds hij erover las ‘in de roman van een vriendin’. Dit verwijst naar Pruis’ Zachte riten.

Zelfs wanneer de twee rondes oordelen minder absoluut rehabiliterend zijn geweest, is het leerzaam om de heruitgave van De Nijhoffs en ik te bekijken. En wat had het teruglezen van haar debuut bij Pruis zelf losgemaakt? Ze verklaart er een appendix aan te hebben toegevoegd: een artikel, een jaar ouder dan het boek, ‘als service voor de lezer die meer behoefte heeft aan informatie over Netty Nijhoff’. Geen overbodige luxe. Zelf was ik door die appendix verbaasd, behalve informatief (mét bronnen) was ze namelijk prettig terughoudend geschreven, terwijl het besef zich van me meester maakte dat juist die stijl saai en misschien ‘neerlandistisch’ kan worden bevonden. Daarmee daagt de paradox dat de inmiddels dominerende en ongetwijfeld aantrekkelijker getuigenisstijl een loden last aan de lezer kan opleggen.

Dat wederom moralistische oordeel komt voort uit mijn eenentwintigste-eeuwse leeservaringen met Marja Pruis. Hoe motiveer ik dat? Meine kleine meinung luidt dat Pruis een geweldige stilist is, van de categorie-Meijsing. Dan heb ik het wel over de romans. Pruis’ columns en essays slaag ik louter afzonderlijk te genieten, en met tussenpozen. Gebundeld, in boekvorm dus, raak ik in paniek. De gestalte van de schrijfster – die net als Meijsing charmeert met haar intelligentie en onhandigheid – is me te onontkoombaar, te dwingend. Daar zit natuurlijk de parallel met die eerste receptieronde van De Nijhoffs en ik. De tekst deelde met de lezers gestaag belevenissen, Pruis’ privéherinneringen en obstructies bij het biograferen. Destijds, toen het genre volgens haar nog geworteld zou zijn in een academische traditie, viel die nadruk inderdaad wellicht meer op en werd ze sneller onnodig gevonden. Twee decennia later lijkt Pruis, een invloedrijk criticus en menigvuldig onderscheiden auteur, er niet van bekomen dat beroepslezers haar daar publiekelijk op hebben gewezen. In een lang voorwoord kauwt ze op een orwelliaanse ‘biografiepolitie’ en kant zich tegen één, niet bij naam genoemde beoordelaar:

Ik heb die negatieve recensie in de ochtendkrant nooit helemaal gelezen, maar mijn dwalende blik stuitte op een aantijging die me nooit helemaal verlaten heeft: koket. Ik zou koket zijn. Dat had dan te maken met de nadruk die ik legde op de tekortkomingen van de biograaf, die haar belangrijkste gesprekken voorbereidde op de achterkant van enveloppen. Bierviltjes.

Ik sluit niet uit dat ik drammerig, haatdragend en kortzichtig ben. En koppig. Als ik een stuk als dit schrijf, maak ik omwegen, benadruk ik de neiging om te vluchten. Hoe koket is het om dit nu te berde te brengen?

Ooit heeft die criticus een open zenuw geraakt. Het stokkende en hernomen ritme van deze zinnen getuigt er nog altijd van. Mij grijpt die amper nog impliciete kwetsing aan, maar minder dan de manier waarop Pruis ermee omgaat. Ergens ontgaat het haar dat ze op deze manier de diagnose bevestigt die haar is gesteld. Ze zoekt voor heling van de wond medestand bij een kritisch klimaat dat inderdaad veranderd is. Volgens een progressief paradigma moest kunst subversief zijn, choquerend desnoods. In Nederland kon zoiets ‘avant-gardistisch’ pas na de Tweede Wereldoorlog beslag krijgen, volgens het standaardverhaal omdat de mannen van Forum liever literatuur voor vrienden maakten. Nu is dat uiteraard een community waarin lezers bondgenoten zijn – bij Pruis’ debuut zelfs rechters die oordelen dat de buitenwereld onwaarheid sprak.