Namen en kwantoren

Dichter des vaderlands (7)

Door Marc van Oostendorp

Een van de lastige taken van een Dichter des Vaderlands, of van een stadsdichter of een dichter van een middelbare school is dat je betekenis moet geven aan volkomen betekenisloze gebeurtenissen: rampen, de dood van een beroemdheid, oorlog.

Het allermoeilijkst is dan misschien als je gevraagd wordt om te proberen betekenis te geven aan de holocaust.

Tsead Bruinja loste het deze week op door een gedicht te schrijven – naar mijn smaak zijn beste Als Dichter des Vaderlands tot nu toe – dat niet rechtstreeks betekenis geeft aan de holocaust zelf, maar aan een gebaar dat de holocaustherdinkingen op allerlei manieren omringt: het noemen van de namen van de slachtoffers. Ze hardop zeggen. Ze beitelen in steen. Ze drukken in steentjes in het trottoir.

Waarom die namen? Daarover gaat Bruinja’s gedicht:

hoeft een naam iets?

elke naam moet ten minste
een keer worden gespeld op het gemeentehuis
vreugdevol door een ouder die met die naam
een geloof een held een vriend of een familielid
in leven houdt

elke naam moet minstens vierduizend keer
worden geroepen vanuit een halfopen buitendeur
terwijl de warme lucht van het avondeten door een keukenraam
een koude kinderneus inkrult

alle namen horen zeker vijf maal op het puntje
van de tong van een beste vriend te liggen bij de vraag
naar wie zijn of haar beste vriend is
en waarom

geen één naam verdient het om ongefluisterd te blijven
en niet via het oor van een geliefde
buitengewoon vaak de buik van die ander
te kriebelen

daar zijn namen voor gemaakt

namen horen een leven lang mee te gaan
en met een heel leven weet u heel goed
wat ik bedoel

namen mogen alleen langzaam verdwijnen uit onze gedachten
en niet voordat ze een afscheidsdansje hebben gemaakt
op onze bevende lippen

er is geen enkele reden om de naam
van een muur te schroeven

als die naam niet een nieuw huis
te wachten staat

want een naam wil leven

Je eigen naam op allerlei manieren belangrijk te zijn. Hij is voor menig kind het eerste dat ze kan schrijven. Mensen hebben statistisch een voorkeur voor producten die met de letter van hun voornaam beginnen. Wie een lijst leest met onder andere zijn eigen naam, pikt die naam er relatief gemakkelijk uit.

Je naam is wat jij bent in taal.

Bruinja’s gedicht noemt allerlei dingen die we met namen moeten doen, en hij gaat daarbij ongeveer van de geboorte tot de dood: je naam blijft bij je zo lang er over je gesproken wordt. Je naam is het deel van jou dat de grootste kans heeft op een eeuwig (nu ja) leven op aarde: je naam is je ziel.

Of zou dat moeten zijn. Nergens wordt in het gedicht ook maar iets genoemd dat rechtstreeks verwijst naar de holocaust, maar zelfs als je niet weet dat het gedicht voor een herdenking geschreven is, weet je dit is mis. Er worden zulke voor de hand liggende dingen genoemd die met een naam gebeuren dat je voelt: het feit dat de dichter het nodig vindt die dingen te noemen betekent dat ze kennelijk toch niet altijd gebeuren of gebeurd zijn.

Behalve over namen is het gedicht ook gebouwd met kwantoren, de constructies die je om een zelfstandig naamwoord kunt plaatsen om aan te geven over welke hoeveelheden het gaat: woorden als elke, enige, sommige. Naam wordt door Bruinja achtereenvolgens op de volgende manieren gekwantificeerd:

  • elke naam
  • elke naam
  • alle namen
  • geen één naam
  • namen
  • namen
  • namen
  • de naam
  • die naam
  • een naam

De constructies worden steeds specifieker – van het heel algemene elke naam tot het aanwijzende die naam. De reeks eindigt met een naam dat dan weer in een algemene betekenis gebruikt wordt: een naam wil leven betekent (vrijwel) hetzelfde als elke naam wil leven.

Het is de spanning die er zit in het opsommen van de namen bij een Holocaust-herdenking. De lijst maakt indruk doordat hij zo lang is. De lijst maakt indruk doordat hij bestaat uit individuele namen. Namen van mensen die alles hadden moeten doen wat Bruinja opsomt. Namen die in ieder geval nog voort zouden moeten leven.

Foto: Namen der Ermordeten, Holocaust Museum KZ Sered. Christian Michelides, Wikimedia