Je kop

Door Henk Wolf

Het woord kop worden gebruikt om de bovenkant of de voorkant van voorwerpen of geografische ruimten aan te duiden, zoals van een paal, een haven of een pier. Dat is stilistisch vrij neutraal: aanstoot geeft het zeker niet. Dat geldt ook voor de aanduiding van de voor- of bovenkant van een dier. Van een mier, een hond en een tyrannosaurus rex kun je gerust zeggen dat ze een kop hebben.

Bij mensen is dat anders. Het lichaamsdeel dat bij dieren kop heet, wordt bij mensen in stilistisch neutrale contexten hoofd genoemd. Kop kan wel, maar dan is het erg informeel of beledigend. Die onfatsoenlijke connotatie bestaat echter in bepaalde gebruikscontexten niet of duidelijk minder.

Deiktisch vs generiek gebruik

Het voornaamwoord je kan in het Nederlands deiktisch worden gebruikt. Dat wil zeggen dat het betrekking heeft op de gesprekssituatie. Je is dan het voornaamwoord voor de aangesprokene, de zogenaamde ‘tweede persoon enkelvoud’, zowel persoonlijk als bezittelijk. Daarnaast kan het generiek worden gebruikt, om ‘de mens in z’n algemeenheid’ aan te duiden. Je kunt het dan een onbepaald voornaamwoord noemen. Hieronder staan die gebruikswijzen geïllustreerd:

Tweede persoon:
            Persoonlijk:             Je veter zit los.

                                          Ik heb je wel gezien.

            Bezittelijk:                 Mag ik je telefoon even gebruiken?

Onbepaald:                         Je kunt nu eemaal geen ijzer met je handen breken.

Het verschil in fatsoenlijkheid van kop kun je mooi illustreren met die twee soorten je. De onderstaande zinnen zijn erg informeel of zelfs beledigend als je een aangesproken persoon als referent heeft, maar een stuk neutraler als er een algemene waarheid wordt verkondigd. Het maakt nogal een verschil of een dokter tegen een jong patiëntje zegt:

  • Leg je kop maar in de beugel, Noah.

of:

  • Als je kop in die beugel zit, baal je meestal behoorlijk.

Vrij vs idiomatisch gebruik

Daar komt bij dat kop in idiomatisch gebruik veel aanvaardbaarder is dan wanneer er een echt hoofd mee wordt bedoeld. Zo kun je kop vaak prima in staande uitdrukkingen gebruiken:

  • Je kon er oven de koppen lopen.
  • Zullen we de koppen even bij elkaar steken?

Vergelijk die laatste zin maar met een vrij gevormde, niet-idiomatische zin zoals deze:

  • Wil iedereen z’n kop tussen z’n knieën steken?

Onderstaande zinnen illustreren hoe een verschil in interpretatie aan kop een andere gevoelswaarde geeft:

  • Je moet die woorden gewoon uit je kop leren.
  • Als je veel aan je kop hebt, kun je beter wat vaker een wandeling maken.
  • Je moet wel zorgen dat je je kop boven water houdt.
  • Je kunt je kop daar niet laten zien.
  • Als je zo vaak met je kop op televisie komt, ken je het trucje wel.
  • Je moet je kop houden.
  • Pas op dat je je kop niet stoot!

Die zinnen zijn het acceptabelst als je als onbepaald voornaamwoord wordt gelezen en de zinnen als idioom, dus zonder echt hoofd. Er is dan nauwelijks verschil in gevoelswaarde tussen kop en hoofd. De uitspraken worden al wat platter als je door jij of u kan worden vervangen en dus naar de gesprekspartner verwijst. Wordt kop dan ook nog letterlijk voor ‘hoofd’ gebruikt, dan zijn ze het onfatsoenlijkst.

Uniciteit

Het effect dat kop in generiek en idiomatisch gebruik z’n platte connotatie kwijtraakt, lijkt redelijk specifiek te zijn voor dat woord. Andere onfatsoenlijke woorden voor lichaamsdelen, lijken hun connotatie niet zo makkelijk kwijt te raken. De onderstaande uitspraken zijn althans voor mij nog steeds niet heel neutraal. Ze zijn zeker niet geschikt om met een tweedepersoons je tegen een onbekende volwassene te gebruiken, maar ook met het generieke je en in een idiomatische interpretatie blijven ze grof klinken.

  • Straks val je op je bek.
  • Als je ze straks in je poten hebt, ben je blij.
  • Je staat met je tronie in de krant.

Foto: Simon Wijers