Het toponiem ‘Jaffa’ in tweeërlei overdrachtelijke betekenis

Pelgrims komen in Jaffa aan, 1486. Bron: Remembered Places

Door Renaat Gaspar

Wie tegenwoordig de naam Jaffa hoort, denkt waarschijnlijk aan ‘sinaasappels’. Ouderen herinneren zich misschien de morele oproep in 1973 om geen Zuid-Afrikaanse outspan-sinaasappels te kopen, maar die van een andere, ‘onbesmette’ herkomst. Dus evenmin de Spaanse soort uit het vermaledijde land van Franco, maar van een echte, ‘eerlijke’ soort uit een land dat toen door vrijwel iedere Nederlander zeer bewonderd werd: uit Israël. Jaffa-sinaasappels dus, kortweg jaffa’s genoemd. Maar vroeger, zowat honderd jaar geleden, was de associatie met Jaffa heel anders.

1  ‘Jaffa’ met betekenisoverdracht: drie vragen

A. Beets, in 1926 een der redacteuren van het Woordenboek der Nederlandsche Taal, moet het gevoel gehad hebben dat het hem niet gemakkelijk zou vallen s.v. JAFFA (de bekende havenstad in Palestina) deze drie uitdrukkingen afdoende te verklaren:

  • Naar Jaffa gaan (flauw vallen; gaan sterven);
  • In Jaffa liggen (in slaap gevallen zijn; in zwijm liggen; dood zijn);
  • Al in Jaffa zijn / liggen (reeds in onmacht liggen; al dood zijn).  

Zijn referenten in de behandeling van deze – exclusief Nederlandse –  zegswijzen hadden hem immers geen bevredigende inlichtingen kunnen verschaffen.

Enigen meenden dat de oorsprong van de uitdrukking te vinden was in het oponthoud te Jaffa dat de pelgrims bij hun afvaart naar huis ondervonden. [Winschooten, 1681: 91; Tuinman, 1726-27: 1, 53; Harrebomée, 1858-70: 1, 351b.] 

Anderen dachten dat de uitdrukking betrekking had op de avontuurlijke kruisvaarders van de 12e eeuw, waarbij ‘de meesten het terugkeeren vergaten’. [Eckart, 1893: 232; Sprenger van Eijk, 1835: 85-86.] 

Weer anderen vermeldden de uitdrukking zonder enigerlei verklaring. [Schuermans, 1883: 139b: ; Stoett, 1943: nr. 151.] 

De Jager kwam met een bijzondere verklaring. Omdat volgens hem naar Jaffa gaan / zijn betekende: een gevaarlijke reis ondernemen / ondernomen hebben, meende hij dat de uitdrukking in Jaffa liggen aanduidde dat de pelgrims in die plaats gingen ‘uitrusten van eene moeijelijke reize’. [De Jager, 1847-54: 4, 29-30.]   

Er was nog een ander, zeer merkwaardig, zelfs raadselachtig probleem dat zich voordeed bij de betekenisoverdracht van het toponiem Jaffa: Hoe was het te verklaren dat Jaffa de naam was van een aantal hofsteden, buitenplaatsen, theetuinen en dergelijke plaatsen meer? In Beets’ eigen woorden s.v. JAFFA luidt het:

Naam van eene vooral door de kruistochten bekende havenplaats op de kust van Palestina (in den Bijbel Joppe) en daarnaar (?) van (vroegere) hofsteden, buitenplaatsen of theetuinen hier te lande, gelijk bv. onder Kralingen en aan de Vleutensche Vaart nabij Utrecht. Hoe deze naam in de volgende zegswijzen moet worden opgevat, is nog niet op eene bevredigende wijze aangetoond. [Hierna behandelt Beets de drie bovenstaande zegswijzen.]

Ook de befaamde palestinoloog Reinhold Röhricht had destijds niet goed raad geweten met deze uitdrukking en vooral met de ouderdom ervan: ‘über das Alter des Ausdrucks “nach Jaffa gan (…) konnte ich nichts sicheres ermitteln’. [Röhricht, 1889: 39, n. 30.] Wat de ouderdom betreft: zoals uit het hierboven aangehaalde lemma blijkt, heeft Beets weliswaar nietuitdrukkelijk vermeld, maar toch voorzichtig-suggestief aangeduid dat we de oorsprong zouden mogen zoeken in de tijd van de kruistochten, dus van ca. 1100 tot ca. 1300. Niettemin was de oudste vindplaats die hij kon verstrekken van aanzienlijk latere datum, namelijk een zinsnede uit een lijkdicht van B. Lambertsen op J.J. Starter: ‘Den grooten vreughd-bedrijver, Die nu al in Iaffa leyt’. Nu, deze dichtregel van ca. 1627 (de datering is conform Kleerkooper, 1903: 60) is toch maar moeilijk als een echt vroege vindplaats te beschouwen, indien de tijd der kruisvaarten inderdaad te beschouwen is als de periode van oorsprong van deze uitdrukkingen.

Er doen zich dus drie problemen voor: a) de negatieve gevoelswaarde die juist de havenplaats Jaffa opriep; b) de positieve connotatie die bezitters van plaatsen waar het aangenaam toeven was, aan die naam hechtten; c) de mogelijke datering van deze zegswijzen.

Voor de oplossing van een en ander zouden we, meen ik, terecht kunnen bij de betrekkelijk omvangrijke hoeveelheid reisverhalen uit de 15e en 16e eeuw van pelgrimages naar het Heilig Land, weerklank van het opmerkelijk groot aantal pelgrims dat uit de Lage Landen afkomstig was. Andere landen waren beduidend minder vertegenwoordigd, zoals al geruime tijd geleden onderkend is:‘Daβ  die Niederländer auβerordentlich stark unter den Pilgern vetreten sind, ist eine bekannte Thatsache’. [ Röhricht 1889: 39, n. 30.]

2  De negatieve beeldvorming

De gebruikelijke route vanuit de Nederlanden naar Palestina was: over land naar Venetië en vandaar over zee via o.m. Kreta en Cyprus naar Jaffa. Hoeveel ellende de pelgrims in die vier tot acht weken op zee moesten doorstaan, is veelvuldig in deze reisliteratuur terug te vinden. Naar Jaffa gaan was waarlijk geen plezierreisje. Het betekende welhaast zeker dat men dicht opeengepakt op het dek of in het bedompte ruim moest verblijven en daarmee onvermijdelijk aanleiding geven tot onderlinge overlast: stank (niet het minst door ontlasting en plein public op het eigen wc-tonnetje) en hevige zeeziekte (braken overboord of in datzelfde vaatje), ongedierte in de vorm van een menigte ratten en ontelbare luizen en vlooien, stinkend water met allerlei dode vliegen en wormen, en weerzinwekkende voeding: bikkelhard, beschimmeld brood en vlees met levende maden. Als gevolg daarvan traden vaak hevige dysenterie of andere ziekten op. Mergenthal, een pelgrim die in 1476 meereisde in het gezelschap van hertog Albrecht van Saksen, heeft ons alle ongemakken die zo’n zeereis met zich meebracht in zijn reisverslag de revue laten passeren en daarbij nuchter geconstateerd: ‘Diejenigen, so bei uns sich [und] krank geworden, sind des meisten Theils gestorben. Gott sei ihnen gnädig!’ 
[Röhricht, 1889: 19] 
[Zie ook DBNL → zoekterm: benodigdheden]

Bovendien moest elke bedevaartganger naar Palestina rekening houden met de meest extreme weersomstandigheden: nu eens met storm en ijzige kou, dan weer met windstilte en ondraaglijke hitte. Joos van Ghistele spreekt tijdens het aanvangstraject in de Adriatische Zee over

een zo groot storem ende ongheweerte, dat alle die int scip waren ghemeent hadden te verdrinckene, ende moesten tscip zo bijden winde legghen, over en weder loverende, dat te vele waerften de baren vander zee gheheel daer over liepen (…).

[ DBNL → zoekterm: storem.]

Deze storm in 1481 duurde meer dan een week. Maar al hadden de reizigers de beruchte stormen van de Adriatica heelhuids doorstaan, tijdens het verdere verloop van de reis kon een dagenlange windstilte evenzeer rampzalig zijn. Zo noteerde Jan van Beveren in 1536 de volgende gebeurtenis tijdens de overtocht van Cyprus naar Jaffa:

(…) ende daer was een groete hette in ons schyp dat wy schenen van hette te versmachte ende daer stoerf op dat pas [toen] een vrou dye woerppen wy over boert in de zee (…).

[DBNL → zoekterm: over boert]

Kortom, van alle mogelijke ellende bleef de bedevaartgangers weinig bespaard en voor iedereen was de overtocht een ware uitputtingsslag, tot flauwvallens toe. Meer nog, niet zelden betekende naar Jaffa gaan voor deze of gene in het gezelschap: gaan sterven, de dood vinden. Bijgevolg was het geen wonder dat de kustlijn van Palestina met grote vreugde begroet werd en dat men opgelucht was als de schipper erin slaagde de kliffen en rotsen buiten de haven te vermijden en de komvormige haven van Jaffa binnen te zeilen. De reeks kwellingen was nu voorbij, zo leek het toch.

De haven van Jaffa. Tekening uit 1725 van onbekende hand. Bron: Vilnay (1978).

Maar In Jaffa liggen betekende voor de pelgrims dat ze dagen-, ja wekenlang aan boord moesten blijven tot ze van de Turkse autoriteiten toestemming hadden aan wal te gaan, en dat terwijl veel bedevaartgangers ziek en uitgeput, soms op sterven na dood waren. Tot die tijd moesten ze met hun schip stil liggen voor de kust of in het zicht van de haven en er is weinig fantasie voor nodig om zich de gekweldheid van deze mensen in te denken.

Bijzonder treffend wordt deze situatie weergegeven in het reisverhaal uit 1525 van Arent Willemsz, barbier in Delft. (Het reisverslag van Arent Willemsz is in feite een bewerking van het relaas dat zijn reisgenoot Jan Govertsz had geschreven. Het verhaal van Govertsz is veel persoonlijker getint, en daardoor eigenlijk ook interessanter. Zie de inleiding op dat reisverhaal.  Dat van Arent Willemsz is evenwel minder wijdlopig en dus als te citeren bron geschikter.)

Na op 25 juni uit Venetië vertrokken te zijn arriveerden zij reeds op 22 juli in de haven van Jaffa. De overtocht was dus zeer snel verlopen, maar zes dagen na hun aankomst, op 28 juli, zitten ze nog steeds op hun schip: 

Dese tijt vyel ons seer langhe ende dit hanghen ende verlanghen en was gheen eynde. 

[DBNL → zoekterm: vyel]

Weer vijf dagen later heet het:

Als wy nv aldus gheleghen hadden elf daghen voer dat Heilige Lant (ende was nv gheworden Sinte Pieter Advinculaes dach, den eersten dach van augusto) waren wij wederom heel desolaet, menende en sorrighende dat wij oppet Heilighe Lant niet comen en souden.

[DBNL → zoekterm: advinculaes

Maar na ruim twee weken is het dan zover, het reisgezelschap mag  zich laten ontschepen:

Den .xvj. dach van augusto twellick was den .xvj. dach dat wij voor Jaffa gheleghen hadden, ende was sonnendach, soe vueren wij te lande des merghens (…).

[DBNL → zoekterm: sonnendach]

Voor enkele medereizigers echter zou het feit dat ze in Jaffa lagen wel een zeer bijzondere betekenis krijgen:

Als wij nv desen sonnendach te lande varen soude, soe musten wij onsen crancken broeder Willem Cornelisz Bol van Haerlem te schepe laten, alsoe hem die doot op die lippen stont ende en muchtens niet verroeren, twellick ons leet was. (…) Het ontbermde mij, alsoe hij van mijnen huyse of gecomen was tot in dese haven van Jaffa toe, ende schieden alsoe van hem ende bevalen hem twe ofte drie bootsghesellen, alsoe dat hij starff tien daghen daer nae dat wij van hem schieden, ende hebben hem begraven die bootsghesellen, als sij ons seyde, an die noortsijde van Jaffa op die stranghe [strand]. 

Nota. Noch soe hadden wij een crancke vrouwe, Maria van Rijsel genaemt, die oock boven maten cranck was, mer hoer man en wildese niet verlaten mer brachtse in een math ghebonden te lande. Ende soe drae sij in die kellenaer was, soe starff sij in teghenswoordicheit van haer man ende werden oock op stranghe beghraven.’

[DBNL → zoekterm: stranghe]

Waar nu dergelijke voorvallen – in die tijd maar ook in de periode daarvoor – meer dan eens geschied zijn, waar het aandeel van de pelgrims uit de Lage Landen verhoudingsgewijs opmerkelijk groot was, waar dus het moeizame, vaak fatale karakter van de zeereis naar Palestina – pessima terra (bar slecht land) en mortis ianua (poort van de dood) geheten – hier te lande zeker niet onbekend zal zijn gebleven, daar is zeer wel begrijpen dat ‘Jaffa’ zeer negatieve gevoelens is gaan oproepen. Naar Jaffa gaan betekende zoveel als: ‘bezwijmen, gaan sterven’; in Jaffa liggen kon in overkoepelende betekenis worden uitgelegd als: ‘stil liggen’, en toegespitst, in pregnante zin, wilde het zelfs zeggen: ‘voor altijd stil liggen’. 

In de dood.

Jaffalaan 10, Delft

De laatstgenoemde betekenis is heel nadrukkelijk aan te wijzen in het huidige Delft, want de algemene begraafplaats buiten de oude stadskern aan de Jaffalaan heet Jaffa.

Ze is omstreeks 1870 aangelegd en – zoals het straatnamenboek van Delft meedeelt – zo genoemd omdat Jaffa de poort is tot het hemelse Jeruzalem waar alle doden heen zullen gaan. Een onmiskenbare toepassing van Palestina als mortis ianua, maar dan gebaseerd op de Bijbelse voorstelling van zaken (Joel 4, 1-2 en 12) dat alle mensen het definitieve oordeel zullen ondergaan in het Dal van Josafat even buiten de stadsmuren. Toch is deze duiding onder auspiciën van het Delftse stadsarchief niet geheel juist. Met deze verklaring wordt immers voorbijgegaan aan het feit dat het laatste oordeel zich niet in het hemelse Jeruzalem maar vlakbij zijn aardse naamgenoot zou plaatsvinden, én dat – zoals men in onze contreien had kunnen lezen in tientallen reisverslagen – de dood voor menige pelgrim reeds in of bij Jaffa was gekomen. Niet Jeruzalem maar Jaffa was de onmiddellijke mortis ianua.

Een van de twee tekeningen die Cornelis de Bruyn in 1682 van Jaffa gemaakt heeft. Rechts op het strand de  langgerekte Cellaria S. Petri, de ‘kellenaer’ in het bovenvermelde citaat.

3  De positieve beeldvorming

Was ‘Jaffa’ nog in de 19e eeuw in Delft in pejoratieve zin productief geweest, elders blijkt ‘Jaffa’ ook een positieve gevoelswaarde te hebben meegekregen, vroeger en nu. Het is de naam geworden van buitens, hofsteden en theetuinen; zie het WNT-artikel. Maar de situatie die Beets in 1926 schetste, is sindsdien enigszins veranderd. 

De buitenplaats onder Kralingen is nu de Rotterdamse stadswijk Jaffa. Bij de Vleutense Wetering staat nog steeds (in de buurt van de oorspronkelijke herberg Jaffa, maar aan de overzijde van de vaart) villa Jaffa, eens de woning van de directeur van de voormalige en gelijknamige machinefabriek. Sinds 2001 is op dat fabrieksterrein de Utrechtse stadsbuurt Jaffa verrezen. Ook in de uitgaanswereld geniet de naam Jaffa enige populariteit. In Castricum aan Zee bijvoorbeeld heet een strandpaviljoen Jaffa en in Roermond prijkt het woord Jaffa op de gevel van een een grillroom, evenals in Emmen en in Alblasserdam. Een grillhouse Jaffa vind je zowel in Rijen als in Rosmalen, en een steakhouse Jaffa staat in Amsterdam. 

Dat de uitbaters zich ervan bewust zijn geweest met die naamgeving een bijzondere traditie te hebben gevolgd, valt te betwijfelen, maar hoe dan ook, ‘Jaffa’ blijkt nog steeds de naam te zijn van plaatsen die garant willen staan voor een aangenaam verblijf, voor prettige leef- en eetomstandigheden en – ja waarom niet? – zorgeloze geluksgevoelens. 

Deze positieve connotatie lijkt vreemd. Hoe kan een plaatsnaam zowel dood als geluk aanduiden? Die tegenstelling is echter heel wel verklaarbaar en ook hiervoor kunnen we te rade gaan bij de reisliteratuur van de latere Middeleeuwen. Jaffa en geluk vormen daarin immers beslist geen innerlijk tegenstrijdige combinatie van begrippen. De verklaring is deze:de grote vreugde der pelgrims, als zij het beoogde reisdoel nabij waren, wordt in de verschillende relazen niet onder stoelen of banken gestoken. De pelgrims vallen op hun knieën en heffen het Te Deum aan. In de woorden van Arent Willemsz uit Delft:

Om nv voerts te scriven, vanden .xxj. dach in Julio en weet ic niet veel van, mer den .xxij. dach in Julio (twellick was Sinte Maria Magdalenen dach ende was oeck saterdach) soe werden wij des tsmerghens syende dat Heilige Lant het wellick wij langhe begheert hadden. Ende doen wij dat warachtelijken bekenden, soe beghonsten wij alle te samen, vallende op onsen knyeden [knieën] , te singhen nae ouder ghewoendten die loffelike, heerlike, princelike, wel luydende sanck Te Deum laudamus. Te Dominum confitemur. Te eternum Patrem omnis terra veneratur. Tibi omnes angeli, Tibi celi et universe potestates en soe voort dan.

[DBNL → zoekterm: knyeden]

Maar niet alleen op dat moment, als ze de kustlijn met de hoge berg achter Jaffa hadden ontdekt, óók wanneer ze – na lang wachten – eindelijk de wal mochten betreden, hieven de pelgrims lofzangen aan, vielen ze op hun knieën en kusten ze vol vreugde de grond van het Heilig Land. Bijvoorbeeld Claes van Dusen (1481-95) maakt melding van deze laatste handeling; zie Conrady 1882: 205.

En niet zonder reden waren de reizigers zo intens blij: na de ellendige overtocht betraden ze de grond van niet zo maar een land, maar van Palestina, het Heilig Land waar je als pelgrim de voetsporen van Christus kon drukken. In de belevingswereld van de pelgrims bracht dit veel goeds met zich mee: op verscheidene heilige plaatsen waren aflaten te verdienen, op een aantal plaatsen zelfs een volledige aflaat. Voor deze laatste soort kon je natuurlijk terecht in Jerusalem of zijn directe omgeving, maar – en dit is van eminent belang voor de verklaring van de vermeende tegenstelling dood versus geluk – de allereerste volledige aflaat (a poena et a culpa) was te verkrijgen op een plek in de periferie van het Heilig Land, namelijk in Jaffa. Daarbij zou het om een erg oude, misschien wel de oudste aflaat gaan. [N. Paulus: 1922-23, III, 281 e.v.]

 Joos van Ghistele, die in 1482 in Jaffa arriveerde, zegt daarover:

Men seit ooc voor waer dat zo wanneer de pilgerims daer voet an lant stellen in state van gracien zijnde, ter stont hebben aflaet van pinen ende van sonden, dwelke ter beden van Constantinus ende Sente Elena zijnder moeder de paus Silvester verleent heeft, ende toot vele meer andere plaetsen hier onder ghescreven, insghelijcx gheconfirmeert bij vele andere pausen naer hem rengnerende, ende ten velen anderen plecken ooc schoone aflaten ghegheven.

[DBNL → zoekterm: Silvester.]

Een volledige aflaat verworven te hebben betekende: ervan verzekerd zijn dat je bij een plotselinge dood rechtstreeks naar de hemel zou gaan en geen louterende pijnen in het vagevuur moest doorstaan. Groter geluk was voor een vrome christenmens niet denkbaar. Jaffa en geluk, Jaffa en eeuwige zaligheid, deze begrippen vielen voor de pelgrim samen wanneer de voet aan wal was gezet. Jaffa: niet alleen mortis ianua maar tezelfdertijd vitae ianua. En later, weer thuis, kon zorgeloos geluk tot uiting gebracht worden doordat hij zijn buitenverblijf Jaffa noemde, de plaats die hem buiten de dagelijkse beslommeringen bracht.

Toch blijft nog een en ander onklaar. Niet duidelijk is in hoeverre ook andere geschiedenissen hebben bijgedragen tot positieve gevoelens over Jaffa. Jonas zou daar aan land zijn gezet door de walvis, Arion door de dolfijn; zo konden lieden van verschillende overtuiging daar iets van hun gading vinden. De hervormde christen kon erin de prefiguratie van Christus’ verrijzenis zien; de humanist kon erin de macht van de muziek en de (gezongen) dichtertaal verwoord vinden. Evenmin is duidelijk te bepalen in hoeverre de vermogende Hollanders die vele decennia later hun buitenplaatsen lieten inrichten – laat staan onze tijdgenoten die allerlei soorten eetgelegenheden gingen exploiteren – nog beseft hebben op welke, theologisch wellicht verwerpelijke, gronden (aflaten!) dit positieve denken over Jaffa gebaseerd was. Gedeeltelijk dan toch, want de reis erheen bleef even ellendig en de aankomst aldaar even begeerd. 

Maar ook al hadden ze dat besef gehad, de scheidslijn tussen protestant en rooms-katholiek hoeft inzake Palestina beslist niet zo haarscherp te zijn geweest. Weliswaar hadden protestantse pelgrims enige moeite hadden met de communie onder slechts één gedaante, maar telkens als dit probleem zich voordeed, was het na overhandiging van enige dukaten snel opgelost. [Röhricht 1889: 27.]  Evenmin werd hun de ridderslag bij het H. Graf geweigerd. [Ibidem 71, n. 254.] Pelgrimages van protestanten naar Palestina waren dan ook in de 17e eeuw – tijd waarin veel buitens hun vorm kregen – niet zelden te noteren. Een andere factor van belang was deze: een aanhanger van de oude roomse leer kan in die latere tijd, juist omdat hij was uitgesloten van overheidsbetrekkingen, als vermogende handelaar zeer goed in staat zijn geweest een fraai buitengoed in te richten.

Alles welbeschouwd krijg je de indruk dat de dubbele drijfveer tot de positieve gevoelswaarde in het toponiem Jaffa ook in de 16e en 17e eeuw nog heel goed gewerkt kan hebben.

4  Besluit

Als illustratie bij deze verklaring van de zegswijzen ‘naar Jaffa gaan’ en ‘in Jaffa liggen’ is hoofdzakelijk het reisverhaal van Arent Willemsz gekozen omdat de verschillende verklaringsgronden daar zo mooi bijeen staan. 

Hiermee wil echter volstrekt niet gesuggereerd zijn dat deze uitdrukkingen zonder enige twijfel eerst dán, in het eerste kwart der 16e eeuw, zijn ontstaan, nog minder dat juist zijn relaas (of dat van Jan Govertsz) uit 1525 deze gezegden rechtstreeks in het leven zou hebben geroepen. Allerlei andere reisverslagen uit de eeuw daarvóór delen ons immers – hoewel meer verspreid – hetzelfde mee. 

Wel mag je op grond van het bovenstaande aannemen

  • dat de oorsprong van deze zegswijzen veeleer in de late Middeleeuwen te zoeken is dan in de tijd der kruistochten; 
  • dat, gelet op de veelheid der getuigenissen, de tweeërlei overdrachtelijke betekenis die de pelgrims uit de Lage Landen aan het toponiem Jaffa gehecht hebben, door mondelinge en schriftelijke uitingen eeuwenlang gemeengoed is geweest in het Nederlands.

Bibliografie

Primaire bronnen:

Ambrosius Zeebout (1481-1485). Tvoyage van Mher Joos van Ghistele. Digitaal: https://www.dbnl.org/tekst/zeeb002tvoy01_01/index.php

Jacop Kreynck – Derk Vogel (1479). Reyze van Iacop Kreynck un Deryck Vogel van Zutphen toe Ierusalem na den heylighen Grave Christi Anno MCCCCLXXIX.Digitaal: https://www.dbnl.org/tekst/krey002reyz03_01/

Jan Govertsz (1525). Reysen na Jerusalem ende Jordaan. Digitaal: https://www.dbnl.org/tekst/gove003reys02_01/index.php

Arent Willemsz (1525). Bedevaart naar Jerusalem volbracht en beschreven in het jaar 1525 door meester Arent Willemsz, barbier tot Delft in Hollant. Digitaal: https://www.dbnl.org/tekst/will067bede01_01/index.php

Jan van Beveren (1536).  Notitie gehouden bij Jan Hzn  Van Beveren. [Reisverslag van Jan Hendrikszoon van Beveren.] Digitaal: https://www.dbnl.org/tekst/_ned017198501_01/index.php

Cornelis de Bruyn (1698). Reizen van Cornelis de Bruyn, door de vermaardste deelen van Klein Asia (…) Syrien en Palestina, verrijkt met (…) konstplaaten (…) alles door den auteur selfs na het leven afgetekend. Delft: Henrik van Krooneveld. Digitaal: https://www.dbnl.org/tekst/bruy004reiz03_01/

Secundaire literatuur:

Conrady, L. (ed.) (1882). Vier Rheinische Palaestina-pilgerschriften. Wiesbaden: Feller & Gecks. 

Eckart, R. (1893). Niederdeutsche Sprichwörter und volkstümliche Redensarten. Braunschweig: Appelhans & Pfenningstorff.

Harrebomée, P.J. (1858-1870). Spreekwoordenboek der Nederlandsche Taal. Utrecht: Kemink. 

Jager, A. de (1847-1854). Archief voor Nederlandsche taalkunde. Amsterdam: Portielje.

Kleerkooper, M.M. (1903). ‘Starters laatste levensjaren’ in Taal en Letteren XIII, 60.

Paulus, N. (1922-1923). Geschichte des Ablasses im Mittelalter.Paderborn: Schöningh.

Röhricht, R. (1889). Deutsche Pilgerreisen nach dem heiligen Lande. Gotha: Friedrich Andreas Perthes. 

Schuermans, L.W. (1883). Bijvoegsel aan het Algemeen Vlaamsch Idioticon, Loven: Karel Fonteyn.

Sprenger van Eijk, J.P. (1835). Handleiding tot de kennis van onze vaderlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke zegswijzen, bijzonder van de scheepsvaart en het scheepsleven ontleend. Rotterdam: Mensing & Van Westreenen.

Stoett, F.A. (1943). Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden. Zutphen: Thieme [vijfde druk].

Tuinman, C. (1726-1727). De Oorsprong en Uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche Spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der Vaderlandsche Moedertaal. Middelburg: Michiel Schryver.

Vilnay, Zev (1978). The guide to Israel. Jerusalem: Daf-Chen Press Ltd. [twintigste, herziene druk].

Wasser, B.A.J. (1991). ‘Die peregrinatie van Iherusalem: pelgrimsverslagen van Nederlandse Jerusalemgangers in de 15e, 16e en 17e eeuw: ontstaan en ontwikkeling’ in De Gulden Passer, Bulletin van de “Vereeniging der Antwerpsche bibliophielen” 69, 5-72.

Winschooten, W.à (1681). Seeman, behelsende een grondige uitlegging van de Neederlandse Konst- en Spreekwoorden, voor soo veel die uit de Seevaert sijn ontleend. Leiden: Iohannes de Vivie.