Gedicht: Hugues C. Pernath • De traagheid

De traagheid

In de nabijheid van de barende
Na al datgene wat uitdoofde en begraven werd,
De eeuwigheid is onvoldoende, te weinig
En te min. Geen vreugde en geen louter vuur
Slechts de zoete doodsroep blijft
En redeloos wreed, de blik daarover.

Talm niet. Zweet niet. Treur.
Want telkens opnieuw tekenen trots en toorn
Hun twijfelende omtrekken
In het slome slib van mijn spijt.

Mijn honger aast op de hoop, mijn zee is leeg.
Ik raak je aan en monster elke nacht
Aan nachten als nooit tevoren.
En eenzaam voelt hij zich: de mens
Genakend tot de mens, het stelpen en het leven
Dat naast hem staat. Geen poging die de adem pleegt.

Ik volgroeide, hoorde vrome krijgers vluchten
Ik sprak, en na zovele plichten, pijnen
Herhaalde een andere stem wat samen met huiver
Eelt en haat, ontkwam aan mijn verbeelding.

Schokkend en besluitloos, de eerste stappen
Terug tot een leven dat tergend
De komst afwacht van de moeder, een verdelen
Alsof wij heel ons leven bij elkaar waren geweest.
Soms is het de adem, soms is het de afgrond
Die liefde vergelijkt met een verlossend vuur.

Hugues C. Pernath (1931-1975)
uit: Mijn tegenstem (1975)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.