Gedicht: Hugues C. Pernath • De nijd

De nijd

Niemand nadien. Dit land bewaart de schade niet
Alleen de ondergang. Hier ontbreken:
Een tegel, een processie, een akker en een graf
En ook dit einde heeft geen belang.
Hier bepaalt het jaar krampscheut of vervoering
Voor dezelfden die ons zullen verslaan.

Geen spoor wordt weggevreten.
Wat beschreven werd bekwamen wij door schaamte,
Of door geheel een mensenleven dat volstond
Verwekt werd en wentelde als een kwalijk getij.

Geen keuze. Duisternis bedekt de wreedheid,
De oeverloze diepte, en geen klacht weerklinkt
Van mens tot mens geen woord.
Welke schaamte zal zich van ons meester maken?
Welke droefheid ons bedaren? Ik kwam terug
En ik voelde mij getroost.

Men kan schrijven, ijlend herhalen wat pijn doet
Wat als waarheid vreselijk vernielt, een woeker
Rottend doch voortdurend.
En zo is het beter dat er niets is.

Na elke reis, het overvloeien. Mijn oogwit
Dat nieuwe pigmenten kiest, en randen raakt.
Ik vernoem meer en minder, mijn medeplichtigen
Mijn begerige gebaren. Met de schande meet ik
Misschien het ouder worden, een warmte
Die verzadigt en verteert. Of misschien verblijft.

Hugues C. Pernath (1931-1975)
uit: Mijn tegenstem (1975)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.