Gedicht: Hugues C. Pernath • De gulzigheid

De gulzigheid

Gelijk aan minstens zeven jaren, de koude gloed
Van minstens zeven deugden.
Gelijk aan de woede van het maanlicht
Dat de maten meet en huiken spant over de magen.
Gelijk aan het sarren van kevers die krioelen
Tussen de maden. En van mens tot mens.

Er is de stilte die de stilte dekt.
Een vangnet over het vergeten. Een bleek ontwaken
Besmettelijk en monotoon, terwijl nachtdieren
Kraken, verkalken en vergaan.

Elk gegeven is kostbaar.
En hoger dan de storm drijft het zwijgen
Over een welvaartstaat die verder vloeit.
‘Draagt vrucht en wordt veel. Vult de aarde
En onderwerpt haar. Zaait het zaad
Voor u: dit alles om te eten.’

Want de honger betekent wat de mens betekent.
Het smeken, het sidderen van bergen en zeeën,
En werelddelen die uitsterven
Verschrompelend in een dal dat watertandt.

Als een grillig schrift ontdek ik de onmacht,
De verte en de dorst. Niets is oever, niets is zang.
Ik omklem duizend woorden, het verschil
Tussen het dwalen, de dood en de dood.
In mij strelen de vraatzucht en de nederlaag

Hugues C. Pernath (1931-1975)
uit: Mijn tegenstem (1975)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.