Fout

Foute boeken? Uit de kast (11)

 

Door Nico Keuning

Bij wijze van proeve van bekwaamheid kreeg ik in 1988 van de Chef Kunst van het Haarlems Dagblad het boek Fout van Boudewijn van Houten aangereikt ter recensie. Van Houten was voor zover ik weet het eerste kind van een NSB’er en SS’er dat er in een boek mee uit de kast kwam. Overigens zonder enig gevoel voor drama. De toon is ‘afstandelijk’ luidde mijn oordeel, ‘bijna laconiek’. In mijn bespreking van 18 februari 1988 lees ik: ‘Veel standpunten van de vader worden verworpen, maar soms ook wordt “his fathers voice” door een ongenuanceerde inleiding in een verdachte context geplaatst.’ Als voorbeeld noem ik de ‘halve waarheid’ van de vader in de jaren ’70: ‘Als er nu een partij kwam met ons programma, en die partij zou niet NSB heten, dan zou je eens moeten kijken hoeveel stemmen ze zouden krijgen.’ Een uitspraak met actuele waarde, maar zelfs als het waar zou zijn, maakt dat de NSB van toen niet minder fout.

Dat vond ik toen en dat vind ik nu, al herlas ik het boek ruim dertig jaar later wel met andere ogen. Dat vader Reinier van Houten fout was in de oorlog staat als een paal boven water, al wordt niet duidelijk wat precies zijn beweegredenen waren. Hij hield niet van Joden en voelde zich niet tot joodse vrouwen aangetrokken: ‘Hij vond ze “vies” en hij deed of hij huiverde terwijl hij dit zei.’ Wel hield hij van plichtsbesef, hiërarchie en schier onmogelijke opdrachten. ‘Daarin was hij een echte Duitser, lijkt me,’ zegt de zoon. Je zou dat natuurlijk net zo goed van bijvoorbeeld een Engelsman of een Fransman kunnen zeggen.

Boudewijn van Houten meent dat ’het toeval’ in de loopbaan van zijn vader een rol speelde, zoals het volgens Albert Speer in zijn leven een rol heeft gespeeld. Toen een journalist van Paris-Match Speer de vraag stelde ‘Hoe word je oorlogsmisdadiger?’ antwoordde Speer: ‘Door het toeval.’ Alsof er geen politieke context bestaat, geen gezond verstand, geen geweten. Je rolt, in het geval van de vader van Boudewijn van Houten in 1934 toch niet vanzelf in de functie van directeur van de Nederlandse Nationaal-Socialistische Uitgeverij Nenasu.

Als SS-uitgever wilde Van Houten ook SS’er worden, maar zijn enigszins Indische uiterlijk werkte tegen hem. Na antecedentenonderzoek werd hij ‘niet arisch genoeg’ bevonden. Maar SS-officier Hanns Rauter hielp hem een handje: ‘Door nog wat meer gefoefel – hulp van Rauter – kwam mijn vader alsnog in de SS.’ Deze en andere ontboezemingen van de vader zijn door de zoon opgetekend na de dood van de tirannieke moeder, die eerder dergelijke gesprekken onmogelijk maakte. Een jaar later is de vader overleden.

De belangstelling van de schrijver Van Houten voor de rol van zijn vader in de oorlog is vanzelfsprekend. De cultureel-literaire context, waarin de vader opereerde maakt het voor de zoon-schrijver begrijpelijkerwijs nog interessanter. De vader leidde bepaald geen saai leven. Niet alleen ontmoette hij gezaghebbende figuren als Seyss-Inquart en Himmler, in 1942 werd hij op 34-jarige leeftijd lid van de Nederlandse Kultuurkamer: ‘Mijn vader was er niet weinig trots op dat hij in de Kultuurkamer had gezeten. Meer dan eens sloeg hij de Bestuursalmanak van het jaar 1934 open en liet me de bladzijde zien waarop de leden van de raad vermeld werden. “Badings, Mengelberg… Toch niet zo’n slecht gezelschap, hè?”.’

Reinier van Houten heeft succes met het bloed- en bodemtijdschrift Hamer, met een oplage van 20.000 exemplaren. Veel plaatjes. Er wordt ook een Duitse Hamer op de markt gebracht en om de kansen op een Noorse editie te verkennen, reist Van Houten naar Noorwegen om met de zoon van de foute schrijver Knut Hamsun te overleggen. Daar ontmoet Van Houten Vidkun Quisling, de Noorse nationaal-socialist.

Vader Van Houten werd ‘Verwalter’ van gerenommeerde literaire uitgeverijen als Querido en Van Holkema & Warendorf. Hij zorgde vooral voor de financiële gang van zaken. De latere uitgever Geert van Oorschot stond in de oorlog als ‘resterende, niet-joodse firmant aan het hoofd van uitgeverij Querido’. Hij vertelde in 1977 in het tijdschrift Hollands Diep [‘Wat doet een schrijver in de oorlog? (Het Nederlandse boek 1940-1945)’, Max van Rooy, jrg. 6. Nr. 6] dat die Verwalter nooit een dubbeltje uit de zaak had genomen: ‘Bij de zuivering in 1945 heb ik dan ook een verklaring over die man afgelegd. Dat was geen schoft. Dat was een Edel-fascist en het edel-fascisme had elementen in zich die niet zo gek waren. Had de socialistische beweging deze maar gehad.’ In het uitvoerige artikel van Van Rooy wordt Van Houten overigens nergens genoemd.

De directeur van Holkema & Warendorf beweerde voor de zuiveringscommissie dat Van Houten de ondergang van het literaire tijdschrift Groot Nederland, waaraan Vestdijk, Du Perron en Ter Braak hadden meegewerkt, had veroorzaakt: ‘Mijn vader was niet onder de indruk geweest van “dat literaire blaadje”. Toen hij er zeggenschap over kreeg, was de oude redactie weggelopen. Hij maakte toen maar een nieuwe met nationaal-socialisten.’ Als een soort getuige à decharge laat de vader zijn zoon weten dat het aantal abonnees vervolgens opliep van 1400 naar 1600. De president van de rechtbank zou dat laten uitzoeken: ‘Mijn vader bleek gelijk te hebben. Het stelde hem trouwens wel wat teleur dat uitgerekend de directeur van Holkema tegen hem kwam getuigen. Hij had er namelijk tijdens de oorlog voor gezorgd dat deze niet in Duitsland hoefde te gaan werken. Stank voor dank.’

Goed en fout.

Boudewijn van Houten schrijft dat men in Nederland de Exil-Literatuur van Duitse schrijvers ‘verslond’. De vader zegt dat ‘het ‘gewoon niet waar’ is, ‘dat die schrijvers toen zo geweldig gevonden werden, en dat de Duitsers tegenhielden dat ze werden gelezen’. Hoe weet u dat? vraagt de zoon: ‘Ik heb toch de cijfers gezien!’ zegt de vader. ‘Men maakte vóór de oorlog heel kleine oplaagjes van hun boeken: 1500 exemplaren of zo. En daarvan vond ik in de oorlog dan 1400 terug. Geen hond had die schrijvers willen lezen.’

Hier doen vader en zoon er het zwijgen toe, terwijl het door de zoon genoemde artikel in Hollands Diep een heel ander beeld schetst. Van Oorschot vertelt dat Querido Verlag ‘enorme voorraden van Duitse emigrantenschrijvers’ had. Na liquidatie van het bedrijf moesten in 1943 de magazijnen worden leeggehaald. Van Oorschot zorgde ervoor dat de boeken niet werden vernietigd, maar elders werden opgeslagen: ‘Tienduizenden boeken. Emigrantenliteratuur. Daar hebben we in de jaren ’43-’44-’45 enorm zwart van verkocht. Tegen krankzinnige prijzen. En zo is uitgeverij Querido met onbesmet blazoen de oorlog doorgekomen. En zo was uitgeverij Querido na de oorlog een van de weinige uitgeverijen die geld hadden. En boeken.’

Ruim dertig jaar later herlas ik het boek kritischer en vanuit een ander perspectief. Meer vanuit de relatie zoon – vader. In 2013 publiceerde ik de roman Boternacht (Uitgeverij Atlas Contact) deels gebaseerd op mijn ‘goede’ vader, die in 1949 als douanier in de grensplaats Elten werd gestationeerd, nadat hij zich vanuit Noord-Holland in 1946 als ‘hulpkommies’ in ’s-Heerenberg had gevestigd. Die zoon-vader-relatie begrijp ik nu beter, al sprak die grenssituatie mij bij eerste lezing van Fout in 1988 ook al aan: ‘Het boek begint in 1908 met de geboorte van de vader in het grensplaatsje ’s-Heerenberg. Grootvader had een functie bij de douane aan de Duitse grens. De grens, uniformen, de Duitse taal. Bronnen van het kwaad?’ vroeg ik mij destijds af. Maar Boudewijn van Houten geeft in zijn boek geen antwoord.

Boudewijn van Houten vindt zijn vader een ‘lieve man’. Na de oorlog kreeg de vader vijf jaar gevangenisstraf: ‘Uiteindelijk heeft mijn vader drieënhalf jaar gevangengezeten. De laatste – en langste – periode bracht hij door in het kamp Westvaart in de Noordoostpolder. Hij moest er sloten graven. (…) Op Texel was mijn vader tot kampoudste gekozen, d.w.z. tot vertegenwoordiger van de gevangenen.’

De schrijver heeft er nooit last van gehad dat hij de zoon van een NSB’er was. In zijn eerste roman Onze hoogmoed (Aspekt, 1970) verklaarde hij zijn ‘valse start’ aan de foute, politieke achtergrond van zijn ouders (zijn moeder ging er immers in mee). Hij meende dat, toen hij het schreef. Achteraf vindt hij dat ‘betrekkelijk goedkoop’. Een recensent sprak van ‘troebelen van een mislukte jeugd’. De roman had bij recensenten ‘een zeker succes’. In Fout biecht de schrijver op: ‘Voor mij is het evenwel een deprimerend idee dat ik dit succes voor een aanzienlijk deel te danken had aan wat ik nu als goedkoop beschouw.’