Een zoentje voor Wouter, ik zal zeker aardigheid in hem hebben

De Multatulileescursus (65)

Door Marc van Oostendorp

– Ik moet toegeven dat ik er in het begin een beetje tegenop zag dat we in deze cursus ook al die delen ‘brieven en documenten’ gingen lezen, maar dat het me tot nu toe alles meevalt.

– Ja, neem nu die brieven uit 1878 die we nu hebben gelezen. Dat is toch weer een hele roman op zich! Ineens krijgen we een inkijkje in de verhouding tussen Mimi en Eduard Douwes Dekker. Want voor het eerst sinds hun huwelijk en eigenlijk sinds hun samenwonen is hij langdurig van huis – op lezingentournee – en schrijft hij warme brieven.

Dag Mies. ik zend je ’n zoen.
Wat meen je met:
‘een innige zoen van je -’
Wat is dat voor ’n streep? –
Bezorg je zoo veel genoegen als je maar bedenken kunt

– Maar ondertussen kan hij het ook weer niet laten om haar fijntjes te laten weten dat er natuurlijk achter haar rug om ook nog het een en ander gebeurt::

Wees op alles gerust. Je kunt niet te vrolyk gezind wezen ook over m’n hart voor jou. Maar je moest je dáárvan te zeker achten om toe te geven in gekke jalouzietjes. Al had ik nu eens ’n caprice wat zou dat! Nu, op dit oogenblik is het ’t geval niet, maar ik zeg dit voor ’t vervolg. Laat me maar altyd begaan. Jy bent en blyft de chaussée, en ’t links of rechts afwyken op ’n bypaadje, uit luim, is geen reden tot klachte dat ik den grooten weg verlaten heb. Vind je me en bloc genomen, en redeneer eens van ’61 af, zoo vreesselyk ontrouw? –

– Ja, alsof Mimi niet wist dat ze lange tijd zelf een bypaadje was geweest, en uiteindelijk toch maar met hem getrouwd was.

– Toch geloof ik niet dat ik hem verder ooit zo warm heb gelezen als in deze brieven,

Neen, lieve, je bent voor my niets oud. Dat zal je wel voelen als ik thuis kom. En je bent ook inderdaad altyd frisch en begeerlyk. En dat weet je ook wel! –

– Ja, maar als hij zulke warme brieven aan Tine had geschreven, denk je dat Mimi die dan had laten voortbestaan?

– En ondertussen is ze natuurlijk zelf ook lekker bezig achter de rug van ‘Dek’ om. Ze reageert op een advertentie in een Duitse krant waarin een kind ter adoptie wordt aangeboden:

Ein hübscher, gesunder Knabe, von etwas über zwei Jahren, (elternlos) kann eine anständigen Familie übergeben werden. Man erbittet nähere Mittheilung: gastlagernd, B.B B. 555. Wiesbaden.

– Daaruit volgt een heel wonderlijke procedure. De brief blijkt geplaatst te zijn door een militair die het kind verwekt heeft bij een welgestelde weduwe die het niet heeft willen houden. Hij zoekt een goed onderkomen. En terwijl Multatuli door Nederland reist en haar vrolijk schrijft dat ze misschien een hond kan nemen…

– … zijn manier om te reageren op de lang gekoesterde kinderwens van zijn lieve Mies….

– … dat ze misschien een hond kan nemen, blijkt zij dus achter de rug van haar man te regelen dat het kind bij haar komt wonen. Ze krijgt hem eerst een tijdje op proef, en als hij haar dan bevalt mag ze hem houden. En zo ongeveer pas op dat moment wordt Douwes Dekker op de hoogte gebracht.

– Die kennelijk kwaad reageerde – als dat per brief gebeurde, hebben we die brief niet meer, maar hij zegt het zelf wel achteraf – maar al heel snel omslaat als een blad van een boom.

– Zoals Mimi kennelijk al had voorspeld.

– Waarom praten jullie over haar als Mimi en over hem als Douwes Dekker of Multatuli?

– Toch blijft hij vervolgens nog doodgemoedereerd een paar maanden in Nederland rondtoeren.

– Ja, in die laatste periode lijkt Mimi vooral onzeker te zijn geworden over haar relatie met hem. Althans, haar brieven hebben we niet meer…

– … die zal hij wel onderweg zijn kwijtgeraakt…

– … maar in zijn brieven aan haar doet hij er alles aan om haar gerust te stellen. Ook op het punt van dat kind:

En wat je van Woutertje schryft vind ik heel aardig. Ik zal er zeker pret in hebben, wees niet bang. Je hebt hem zoo aardig veroverd. Zeg, bewaar goed al de brieven van z’n vader. Ik heb hier één er van, en die moet ook by ’t pakketje. Dit bewaren is volstrekt noodzakelyk. –
(…)
Een zoentje voor Wouter. Ik zal zeker aardigheid in hem hebben. Maar maak je niet tot slavin. Dat ben je al van my, en dat is goed voorje.

– Dit alles zal jou wel extra raken, omdat je immers eerder dit jaar zelf…

– Laten we zeggen dat de procedures inmiddels wel wat zijn veranderd. Gelukkig maar, al is het maar doordat de Douwessen Dekkers uiteindelijk nooit hebben mogen adopteren.

– Ondertussen speelt er nog iets veel eigenaardigers, namelijk dat er nóg een kind bij Mimi verblijft: een zoontje van een van de acteurs van Vorstenschool, Coenraad. Dat zal toch ook wel ingegeven zijn geweest door die kinderwens. Hij komt ‘logeren’, maar het lijkt erop dat dit voor onbepaalde tijd was: hij wordt er ook naar school gestuurd en op timmerles. Al gebeurt dat laatste in nadrukkelijke samenspraak met de biologische ouders.

– Ja, en die Coenraad is er nog als Woutertje ook komt. Hij wordt pas weer weggestuurd, door Multatuli zelf, als deze ook weer thuis is. Het jongetje is heel lief en aanhankelijk, maar kennelijk ook een beetje onnozel: hij wil of kan niet leren, en Multatuli weet niet wat hij daarmee moet beginnen. Dus moet hij terug naar zijn biologische ouders die maar een professionele pedagoog voor hem moeten vinden:

Herhaaldelyk heb ik met Coen gesproken, en zeer zacht. Alle strengheid zou bespottelyke wreedheid zyn, want het kind is gewillig en gehoorzaam. Men màg niet forsch tegen hem zyn, maar… hoe hy iets leeren moet waartoe inspanning en eigen ambitie noodig is, weet ik niet! Ik zie er geen kans toe! Ik wilde liever dat-i ondeugend of slecht was, of brutaal &c. Dáár was misschien raad op, maar die vreeselyke onbevattelykheid is treurig. Beste Haspels het bedroeft me zoo, u dit te moeten schryven, maar ’t moet. Ik durf hem niet langer hier houden. Als er iets in te krygen is, moet het door ’n schoolmeester van vak, en in ’t hollandsch geschieden, en dan nog moet die onderwyzer scherpe instructien hebben, niet om streng te zyn (dit is by Coen niet noodig) maar om niet z’n geduld te verliezen. Dus, beste kerel, ik moet U vragen het kind terug te nemen.

– Ja, er wordt behoorlijk gesold met kinderen, in dit deel.

– Zoals over zijn eigen biologische zoon Eduard nog maar weer eens wordt medegedeeld dat hij niet zou treuren als deze dood was en dat hij hem eigenlijk krankzinnig zou willen laten verklaren. En over zijn dochter Nonni dat deze niet te vertrouwen is en alleen maar aardig doet om geld los te weken voor haar broer.

– Toch lijken Mimi en hij op Woutertje helemaal verliefd te worden, iedere niet al te zakelijke brief die ze schrijven, rept ervan. Mimi:

En onze kleine Wouter is ’n lieve schat. Hy vertelt aan ’t wie ’t hooren wil dat i papa’s ‘lieve jongen’ en mama’s ‘zoete hart’ is – ‘en dat is waar’ laat-i er dan zelf op volgen. O, ik wil niet zeggen lieve Hil dat i ’n wonderkind is als je zusje neen heusch niet, dek is zelfs soms bang dat i niet heel intelligent is – ik heb te weinig ondervinding van kinderen en kan niet vergelyken. maar lief is i en gehoorzaam en hartelyk en – och zooveel liefs. Dek zelf zegt het liefste kind dat je je denken kunt. en hy is ook vlug – maar in ’t praten is hy niet voorlyk en van redegeven heeft i nog geen begrip.

– Interessant daarbij is dat ‘Dek’ zelf in dat voorjaar blijkens verslagen nog in zijn lezingen had beweerd dat kleine kinderen misschien niet te veel moesten worden blootgesteld aan de malle moderne onderwijsfratsen van jonge kinderen zelf te laten nadenken. Zulke kinderen hebben nu eenmaal van nature een verbluffend geheugen en nog niet zo’n goed verstand – een teken van de natuur.

– Wat een verhaal, he, jongens. Volgende week 1879!

Afbeelding: Eduard (‘Wouter’) Bernhold. Het geheugen van Nederland.