‘Een schaap, dat geen wol had, zag paarden’

Een aanstekelijk boekje over historische taalkunde

Door Nicoline van der Sijs

De zin uit de titel over het geschoren schaap komt uit de fabel ‘Het schaap en de paarden’, die August Schleicher in 1868 in het Indo-Europees schreef. Inmiddels bestaan er minstens vier alternatieve versies van de Indo-Europese tekst, die ieder het voortschrijdende inzicht tonen in onze kennis van deze gereconstrueerde moedertaal van de meeste Europese talen. Het voorbeeld komt uit het boekje De stam van het woord. Over taalevolutie en de eerste taal ter wereld van Yannick Fritschy, dat in 2019 is verschenen. Het boek is onderdeel van de Pocket Science-reeks die wordt gepubliceerd door New Scientist en die goedkope populair-wetenschappelijke introducties biedt in verschillende wetenschapsgebieden. Het boekje van Fritschy is het eerste dat aan taal is gewijd, en dan nog wel aan mijn lievelingsdiscipline: de historische taalkunde. Goed nieuws dus.

In het eerste deel van het boek staan taalveranderingen in het Nederlands centraal, het tweede deel gaat terug in de tijd en bespreekt verwante talen en het Indo-Europees, en het derde en in mijn ogen interessantste deel onderzoekt de raadselachtige oorsprong van taal. Hier komen vragen aan de orde als: Bestond er een hypothetische oertaal of Proto-World en hoe zag die eruit? Waarom hebben mensen een complexe taal en apen niet? Hoe kunnen anatomisch onderzoek, hersenonderzoek en DNA-onderzoek helpen de herkomst en werking van taal beter te begrijpen?

Het boek is met flair geschreven in een lichtvoetige en enthousiasmerende toon. Ingewikkelde zaken worden helder uitgelegd en het bevat, behalve de anekdote over het schaap, meer intrigerende anekdotes, zoals hoe de verspreiding van pinguïn-DNA is gebruikt voor de reconstructie van taalevolutie. Fritschy heeft zowel klassieke talen als natuur- en sterrenkunde gestudeerd, en hij probeert die twee vakgebieden in het boekje te combineren door regelmatig vergelijkingen te trekken tussen taalevolutie en biologische evolutie, en door te focussen op wat hij noemt de bètakant van taal, de natuurwetten van de taal. Die aanpak is veelbelovend, maar is niet consequent uitgewerkt en komt daardoor niet helemaal uit de verf.

Ondertussen geeft het boekje een aantrekkelijk overzicht van taalverandering en taalevolutie en worden allerlei prikkelende kwesties aangestipt waarover je graag meer zou willen weten, zoals: Hoe zit het met de relatie tussen het Nederlandse elkaar en het Baskische elkar? (p. 67). Wat voor taal is het Skytisch en waarom werd deze taal in de 17e eeuw beschouwd als de oertaal? (p. 78). Hoe komt het dat het Limburgs een toontaal is, als dat niet teruggaat op het Indo-Europees? (p. 82). Hoe kunnen computermodellen taalveranderingen nabootsen? (p. 88).

Het boekje zet aan tot nadenken over taal en taalverandering en is daarom bij uitstek geschikt om aan middelbare scholieren te geven of tijdens een les te gebruiken. Wie weet brengt het enkele leerlingen op gedachtes voor een vervolgstudie… De historische taalkunde heeft jonge slimme mensen momenteel veel te bieden. De samenwerking met andere disciplines en de ontwikkeling van computermodellen leidt tot nieuwe inzichten, maar dit soort onderzoek staat pas in de kinderschoenen: veel moet nog worden onderzocht en verklaard. Of, om te eindigen met de woorden van Fritschy: ‘taalevolutie [is] bij uitstek een vakgebied waarbij van alles samenkomt – taalpuristen en whizzkids, letterkundigen en hersenonderzoekers, alfa-mannetjes en bèta-vrouwtjes’. 

Yannick Fritschy. De stam van het woord. Over taalevolutie en de eerste taal ter wereld. New Scientist, Pocket Science, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.