De kortste klank van het Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Als een groot geleerde overlijdt, laat hij of zij altijd een onvoltooid werk achter. Dat kan niet anders, want nog nooit is er een onderwerp geweest dat in alle opzichten voldoende onderzocht is.

Het gat dat Johan Taeldeman twee jaar geleden naliet, heette de sjwa, de ‘toonloze e‘ aan het eind van bede, In de grote Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten was het achteraf ten onrechte, vond Taeldeman, te weinig aan bod gekomen. Heel veel heel gedetailleerde kaarten zijn er in die imposante atlas opgenomen over zo ongeveer iedere klank die willekeurig welke Nederlandstalige ooit in zijn mond heeft genomen. Maar de sjwa ontbreekt.

Sjwa-1, sjwa-2, sjwa-3

In de laatste jaren van zijn leven merkte Taeldeman weleens op dat hij er eigenlijk nog aan wilde werken, aan dat klankje dat weliswaar de kortste is van alle Nederlandse klinkers, maar ook verreweg de interessantste. Het is er niet meer van gekomen, maar enkele van de belangrijkste taalkundigen van het Nederlands hebben het nu een beetje goedgemaakt met een speciaal nummer van Verslagen & Mededelingen van de KANTL met als titel ‘Drie visies op de frequentste klank van het Nederlands’, expliciet gepresenteerd als ‘postuum eerbetoon‘ aan Taeldeman.

De sjwa (geschreven als ə) is onder andere zo interessant omdat hij op drie manieren gebruikt wordt:

  • als een gewone, stabiele klinker, zoals in de woorden vadər en wittə (in het eerste geval is hij een onderdeel van de stam, in het tweede een verbuigingsuitgang) (sjwa-1);
  • als een klank die (door sommige sprekers) wordt tussengevoegd in woorden zoals melək en harəp (sjwa-2)
  • als een klank die (in de spraak van sommigen) in de plaats komt van onbeklemtoonde klinkers (bekini, kətoor) (sjwa-3)

De historisch taalkundige Jozef van Loon noemt het Nederlands om die veelzijdigheid schertsend ‘de wereldkampioen’ in het gebruik van sjwa. Het Engels heeft bijvoorbeeld wel sjwa-1 en sjwa-3, maar niet sjwa-2; het Duits heeft alleen sjwa-1 (al bestaan er in beide talen ook variëteiten met meer sjwa’s).

Mewk

in de bundel schrijft Georges De Schutter het artikel dat Taeldeman waarschijnlijk zelf had willen schrijven: waar komt de sjwa-2 precies voor? En wat verklaart die verspreiding. Het blijkt een verschijnsel dat heel erg voorkomt in de twee sociaal-economische kernen van het Nederlandse taalgebied – Holland in Nederland en Brabant in Vlaanderen – en dat vandaaruit waarschijnlijk verder uitstraalt.

De data van De Schutter zijn overigens tamelijk oud, want ze komen uit een dialectatlas die vijftig jaar geleden al min of meer voltooid was. Terecht roept De Schutter taalkundigen op om ook nieuwer materiaal te gaan bestuderen. Een van de fascinerende kwesties daarbij lijkt mij dat sjwa-2 in Nederland inmiddels gestuit lijkt te zijn, doordat je hem niet invoegt na een Gooise r en ook niet na de moderne uitspraak van de l als een w-achtige klank. Veel jongeren, ook of zelfs vooral in Holland, zeggen inmiddels mewk, en daar past geen sjwa-2 meer tussen.

Middeleeuwse bronnen

Er staat nóg een artikel over de sjwa-2 in deze bundel, want de taalkunde is de wetenschap van het kleine. De Antwerpenaren Hanne Kloots, Steven Gillis en Jo Verhoeve hebben gemeten hoe lang die klinker precies is in allerlei omstandigheden en bij allerlei sprekers in Nederland en Vlaanderen. De meest eigenaardige bevinding daarbij is dat vrouwen de sjwa in snelle spraak korter maken dan mannen, maar in langzame spraak juist langer. De verklaring daarbij is dat vrouwen enerzijds sowieso geneigd zijn hun klinkers iets langer te maken, maar dat ze ook articulatorisch behendiger zijn, zodat ze bij snelle spraak makkelijker van de ene medekiinker naar de andere springen.

Maar het pièce de resistance van dit nummer is zonder enige twijfel het artikel van Van Loon, dat gaat over de geschiedenis van alle drie de soorten sjwa in het Nederlands. Alle drie zijn ze oeroud: sjwa-1 werd misschien met een a geschreven in hebban olla vogala, voor sjwa-2 en sjwa-3 zijn in middeleeuwse bronnen al aanwijzingen te vinden.

Klemtoon

Intrigerend is het verschil dat Van Loon beschrijft tussen Nederland en Vlaanderen met betrekking tot sjwa-3: hoe zuidelijker je komt, hoe minder die klank eigenlijk voorkomt. Van Loon zegt dat dit komt doordat zuiderlingen een ‘preciezere articulatiebasis’ hebben, ze zijn van oudsher toch al geneigd klanken duidelijker uit te spreken, maar waardoor dat komt is niet helemaal duidelijk. (Het Engels heeft nog meer sjwa-3 dan het Nederlands in Nederland; het Duits heeft nog minder sjwa-3 dan het Nederlands in Vlaanderen; is het Duits ook ‘preciezer’ dan het Engels)?

Maar het is ook niet helemaal onmogelijk om het toch wat preciezer te maken. Zo weten we dat talen kunnen verschillen in hoe belangrijk de rol is die de lettergreep speelt. In het Frans speelt deze een belangrijkere rol dan in het Engels: Fransen vinden het veel moeilijker om te horen dat bal een onderdeel is van balance dan Engelsen, omdat bal geen lettergreep is in balance. Ook is de Franse dichtkunst duidelijker gebaseerd op het tellen van lettergrepen dan de Engelse. In het Engels speelt klemtoon juist een belangrijkere rol.

Waardevol

Het zou mij niet verbazen als dit ook een verschil was tussen het Nederlandse Nederlands en het Belgische Nederlands: dat in de laatste taal de lettergreep een belangrijkere rol speelt. Syllabische verzen zijn in de geschiedenis van de Nederlandse poëzie bijna alleen door Vlamingen geschreven en zo zijn er meer aanwijzingen. In een taal waarin klemtoon een belangrijke rol speelt, verwacht je meer sjwa-3’s, het gaat hier immers om onbeklemtoonde lettergrepen.

Dit is alleen maar een hypothese over een mogelijke manier om het idee van Van Loon wat beter te toetsen te maken. Het is een voorbeeld van hoeveel we nog niet weten over de kleinste klank van het Nederlands, zelfs na het verschijnen van deze waardevolle bundel.

Afbeelding: Logo van het helaas ter ziele gegane taaltijdschrift Schwa Fire.