Aanvullend of aanvullend?

Klemtoonverschuiving en morfonologie

Door Ad Welschen

U leest in uw dagblad: “Hij [verdachte Josef B.] hield buren altijd vriendelijk maar dringend op afstand. Moszkowicz [zijn advocaat] wilde voorafgaand aan de zitting geen aanvullende vragen beantwoorden.’’ (De Volkskrant, 21-1-20).  En u leest de laatste zin nog eens, maar nu hardop, met de normale accentuatie:  “Moszkowicz wilde voorafgaand aan de zitting …’’ Hier aarzelt u even, om dan te vervolgen:  “geen aanvullende vragen beantwoorden.’’ U bedenkt zich, en corrigeert als nog het tweede deel van de zin tot: “ geen aanvullende vragen beantwoorden.’’

Niettemin houdt u de nodige twijfel, en u besluit een gezaghebbend woordenboek te raadplegen, Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, editie 14 (2005), en niet de laatste uit 2015, maar dat lijkt u in dit geval geen bezwaar. En jawel, u leest aansluitend op het lemma aanvullen: ‘aanvullend (bn.) tot aanvulling strekkend (…)’. Als andere afleidingen van het werkwoord aanvullen leest u aanvulling en aanvulsel. Toch wel vreemd. 

Terwijl voorafgaand  geen enkele twijfel oproept en nominale afleidingen van aanvullen als aanvulling en aanvulsel eveneens het woordaccent op het eerste woorddeel krijgen, zijnde het completerende, specificerende  voorvoegsel, het specicifans, blijkt dat bij aanvullend ineens niet het geval. Toch hebt u laatst (op 16-1 j.l.) de Rotterdamse havenmeester op de radio duidelijk horen spreken over een ‘aanvullende vorm van openbaar vervoer’. Dat deed hij in een gesprek met interviewer Sven Kockelmann, naar aanleiding van aanvaringen veroorzaakt door ‘snelvarende’ (Kockelmann) vaartuigen, waarmee wellicht het erkende adjectief snelvarend (zo in Van Dale) bedoeld was. 

Heeft het woordenboek zich hier vergist, of is er een specifieke regel in het spel, die dit type werkwoordsafleiding uitzonderlijk (van het werkwoord uitzonderen) en afwijkend (van afwijken) maakt? Gezien de laatste kwalificatie lijkt een bijkomende check in het woordenboek op het lemma afwijkend geen slecht idee. Helaas, het woordenboek stelt u hier teleur. Terwijl de afleiding afwijking een uitgebreide behandeling krijgt, ontbreekt van afwijkend ieder spoor. De implicatie is dan, dat deze vorm regelmatig is en dus geen aparte vermelding behoeft. En inderdaad, toevallig hebt u zeer onlangs (16-1-20) advocaat Knoops (in de talkshow van Eva Jinek) nog horen verklaren: ‘We hebben hier te maken met een afwijkende situatie (…) Het gaat hier niet om het ontwijken van een afspraak’.  Maar waarom ligt dit bij het toch alleszins vergelijkbare aanvullend dan anders, is dat grammaticale willekeur, of wat is mogelijk de ratio hierachter? We bekijken enkele reeksvormende voorvoegsels.

Aan

Het geval aanvullend mag dan opvallend zijn, het staat geenszins op zichzelf.  Mogelijk is het exemplarisch voor een morfonologische tendens in het hedendaagse Nederlands  om bij dit type werkwoords-afleiding minder het specificans als wel het specificatum te benadrukken. We vermeldden hierboven al aansluitend (zo gegeven in Van Dale). Zo hebben we bijvoorbeeld ook aangrijpend, aanmatigend, aanmoedigend, aanpalend,en (niet gegeven in Van Dale) aansprekend. Maar er zijn ook dubbelvormen, waar het accent wisselt:  aanhoudend naast aanhoudendaankomend naast aankomend <bij attributief gebruik>, aanvoegend naast aanvoegend <gebruikssfeer: taalkunde>, aanwijzend en aanwijzend <idem>.  

Af

Met af vinden we bijvoorbeeld: afdoend naast afdoend, afstotend naast afstotend, afzettend1 en afzettend2 <met betekenisverschil>. Vaker echter wordt bij af– in principe alleen één van beide woorddelen geaccentueerd: het eerste woorddeel bijvoorbeeld bij:  afbrekend, afgaand, aflopend, aftastend; het tweede woorddeel doorgaans in bijvoorbeeld:  afkeurend, afleidend, afmattend, afrondend, afwisselend. Twijfel kan wat mij betreft bestaan over afwijkend (zo in Van Dale) /afwijkend (niet in Van Dale), afwijzend /afwijzend (beide niet in Van Dale), zoals ook bij instemmend  (zo in Van Dale) / instemmend. En eigenlijk is mijn twijfel nog een beetje te behoudend. Zo hoorde ik onlangs (23-1-20) verslaggever Mattijs van de Wiel (naar aanleiding van een rapport over seksueel misbruik) duidelijk zeggen: ‘Dat heeft te maken met het afwijkend wereldbeeld bij de Jehova’s getuigen.’

In

Ook bij afleidingen met andere voorzetsels/bijwoorden vinden we wisselende situaties. Zo wordt in  (al dan niet contrastief) geaccentueerd bij:  ingaand,  inleidend, invoegend en inwonend, maar niet minder vaak komt het accent op de stam: indringend, ingrijpend, innemend, inspannend. Men zou wellicht ook kunnen twijfelen tussen invoelend / invoelend (zo niet in Van Dale).

Mee

Met mee vinden we dubbelvormen als: meelijdend / meelijdend,  meegaand / meegaand, of alleen met stamaccent: meedogend, meeslepend

… en voorts

We zouden soortgelijke reeksen ook kunnen opstellen van afleidingen met om-, met op, en met over-. Te denken is aan omwonend /omwonend; oplopend vs. oplopend; overdrijvend1 vs. overdrijvend2.   Maar voor een geval als nabestaand(en) met zijn iets andere syllabestructuur en voorklemtoon bestaat er geen alternatief, zoals aan de andere kant evenmin voor gevallen als (taboe-)doorbrekend (niet in Van Dale). 

Hoe moeten we deze weinig overzichtelijke stand van zaken taalkundig beoordelen? Vanuit het werkwoordelijke grondwoord gezien kunnen we er bij dit  type afleidingen niet aan ontkomen om de accentuatie op het eerste woorddeel als grammaticaal uitgangspunt te beschouwen. We kunnen dat de onverschoven accentuering noemen. Waar het accent in de afleiding niet op de op de werkwoordelijke stam terechtkomt, is er grammaticaal gezien sprake van een onregelmatigheid, een verschuiving, een subsidiaire situatie, een afwijking van wat men eigenlijk zou mogen verwachten. 

Afleidingen van dit type zijn in grammaticaal opzicht te beschouwen als nieuwvormingen, ook al bestaan ze soms al geruime tijd en kunnen ze lexicaal geheel ingeburgerd zijn. Als er tegenwoordig bijvoorbeeld niet of nog nauwelijks meer gesproken wordt van ‘aanvullende eisen’, van ‘inzittenden’, van ‘omwonenden’ en ‘opvarenden’, doordat de respectieve voorkeursvormen in dergelijke gevallen alleen nog of al in overgrote meerderheid luiden: ‘aanvullend’, ‘inzittend’, ‘omwonend’ en ‘opvarend’, dan moeten we toch wel denken aan een morfonologische ontwikkeling, een meer dan incidentele verandering in het regelsysteem. Het is een duidelijke trend, onmiskenbaar een verschuiving, maar nog geen algemene regel. Voorlopig  kunnen we hier hooguit spreken van een subsysteem

… en verder

Het zijn niet slechts werkwoordelijke samenstellingen met ‘voorzetsel-bijwoorden’  waarbij deze klemtoonverschuiving aan het licht treedt. Het verschijnsel is breder. Te wijzen is hier op afleidingen als teleurstellend (naast teleurstellen en teleurstelling) en terughoudend (naast terughouden en terughouding), waarvoor Van Dale geen varianten met alternatieve accentuering geeft. Hierbij is dan wel het voorste lid tweelettergrepig, maar dat lijkt toch niet doorslaggevend.  Maar we kennen ook allerlei andersoortige specificatoren. Hierboven gebruikte ik al de termen doorslaggevend en  gezaghebbend. Zo kennen we bijvoorbeeld naast onverschoven samenstellingen als – om maar weer wat te noemen –  allesetend, Duitssprekend en voortschrijdend, talrijke wel-verschoven specimina als baanbrekend (maar attributief baanbrekend, volgens Van Dale), gelijkluidend, noodlijdend, vanzelfsprekend, veelwetend (maar attributief veelwetend, volgens Van Dale), veelzeggend (maar attributief veelzeggend, volgens Van Dale), voortvarend, vrijblijvend en zeevarend. Al schijnt in een aantal gevallen het onderscheid attributief versus predicatief gebruik een rol te spelen, een algemene regel voor de accentuatie bij deze samenstellingen lijkt niet te geven. Weten wij het zelf wel altijd? Er is reden om daaraan te twijfelen. 

Als er al zoveel verschoven vormen bestaan is dat op zichzelf al een aanwijzing voor een in gang zijnde ontwikkeling. Bij dit onderdeel van de woordvorming in het Nederlands lijkt er een toenemende voorkeur te bestaan voor plaatsing van het woordaccent op (c.q. verplaatsing daarvan naar) het werkwoordelijke deel. 

De tv-uitzending van het Europees Kampioenschap lange baan-schaatsen van 11-1 j.l. bood daarvan een lichtend voorbeeld. Verblijd door het succes van de 19-jarige junior-deelneemster Femke Kok aan de sprint-afstand (500 meter) voor dames, beschouwden de tv-commentatoren/analisten Annette Gerritsen en Rintje Ritsma deze verrassende verrichtingen van Femke nog even na. De vraag werd gesteld of ‘onbevangenheid’ wellicht niet het sleutelwoord tot dit succes mocht vormen. Daar ging oud-schaatster Annette aanstonds op in met de volgende, inhoudelijk wel wat cryptische toelichting: ‘Als je opkomend bent kun je gewoon nog niet zo heel veel fout doen.’ Er was geen enkele reden om hier aan een vergissing of verspreking van de spreekster te denken. Het was een vloeiende, spontane uitspraak, zonder enige aarzeling gedaan. Annette koos hier zonder nadenken voor het verschoven patroon. 

Is dit misschien slechts een anekdotisch voorval? Mij lijkt van niet. Hier betrappen we deze doorgaans onopgemerkte ontwikkeling voorkeur op heterdaad. Het werkwoordelijk element trekt meer en meer het accent naar zich toe. Het specificerend karakter van het voorgevoegde element raakt daardoor ondergeschoven. Deze actuele tendens in de woordvorming van het Nederlands is kennelijk zo sterk, dat op elk moment een onbedacht nieuw exempel het licht kan zien. Terwijl iedereen natuurlijk wel zal spreken van een tegenvaller, waar hij eerder op een meevaller zal hebben gehoopt, zullen we niet meer raar op hoeven te kijken als een ander dat resultaat vervolgens tegenvallend noemt.

Een ietwat modieuze adjectiefvormer is het werkwoord –maken. ‘Spraakmakers’ is een radiotalkshow gepresenteerd door Ghislaine Plag. De bedoeling is duidelijk. Recente nieuwsgebeurtenissen en andere actuele thema’s worden daarin door gasten gewikt en gewogen. Geïnteresseerd in spraakkunst als wij zijn zoeken we de bijbehorende adjectieven op in Van Dale. En ja, naast adjectieven als spraakzaam en sprakeloos vinden we spraakkunstig en spraakmakend. Maar bij het laatste vinden we weer: ‘bij attr. gebruik is spraak beklemtoond’. Interessant, maar nog steeds verwarrend. 

Vanwaar toch dit onderscheid? Niet lang geleden  (10-1-20) hoorde ik Eva Jinek in haar nieuwe talkshow spreken over iets dat gekmakend was. Niets bijzonders, zult u zeggen, u hebt dat woord al vaker gehoord. Misschien hebt u ook al eens iets ‘jaloersmakend’ horen noemen. Maar zou bijvoorbeeld ‘dikmakend’ al bestaan? Grote kans, we kennen immers ook ‘diklijvig’, al heeft dat geen  werkwoordelijk stamelement.  Zekere nutriënten daarentegen zullen altijd nog wel als dikmakers blijven aangemerkt. Nu herinneren  we ons weer, dat er in de roerige jaren ’60/’70 of daaromtrent zo graag werd afgegeven op de ‘misselijkmakende middenstand’. Waren het niet de Amsterdamse provo’s, figuren als Robert-Jasper Grootveld, die deze depreciërende term bedachten? Dat werd allengs een min of meer een clichématige diskwalificatie van wat wij tegenwoordig eerder ‘de hardwerkende Nederlander’ zouden noemen. Je kunt je afvragen hoelang dit laatste epitheton bij de huidige woordvormings-tendens nog hetzelfde woordaccent zal behouden, en daarmee dezelfde informatie- en specificatie-structuur. Dit woordvormingsproces lijkt nog niet uitgekristalliseerd. 

Hoe moeten we in deze materie de leerders van het Nederlands als tweede taal dan enigszins wegwijs maken? Moeten zij dan maar per geval de juiste accentuatie aanleren, zoals ze dat ook al moeten bij het woordgeslacht van zelfstandige naamwoorden? 

Het blijft een verwarrende en onoverzichtelijke situatie, maar een verklaring ervoor is misschien minder ver weg dan het nu lijkt. Zij kan mogelijk gezocht worden niet zozeer in strikt grammaticale of semantische parameters als wel in de morfonologie. 

Het was Peter Nieuwenhuijsen die ons deze sleutel tot de verklaring  aan de hand deed, in onze discussie naar aanleiding van een blog door Henk Wolf op 4-1 j.l.. Naar Peters gevoel zijn door mij gewraakte voorbeelden woordvormen als inzittenden en opvarenden geheel normaal (althans ‘al heel lang vertrouwd’), terwijl ik die eerder als oneigenlijk geaccentueerd wil beschouwen. In een antwoord  op reacties mijnerzijds schreef hij op 12-1 j.l. : ‘Ik kan niet meer dan mijn intuïtie voorleggen: als door afleiding van een woord met de klemtoon op de eerste lettergreep een woord met vier lettergrepen ontstaat, ga je op zoek naar een plek om nevenaccent aan toe te kennen; in bv inzittenden kom je dan terecht bij lettergrepen met een sjwa, die niet beklemtoonbaar zijn. Oplossing voor het probleem: verschuif het hoofdaccent een plaats naar achteren.’ 

Het lijkt erop dat we met deze suggestie zoal niet het geheel, dan tenminste een deel van het verschijnsel kunnen verklaren. Nu doet zich bij deze voorbeelden de moeilijkheid voor dat er eigenlijk geen semantisch corresponderende werkwoorden als inzitten en opvaren bestaan, die als basis voor de respectievelijke afleidingen zouden kunnen dienen. Nemen we daarom voorbeelden waarbij dit bezwaar niet speelt. In hun onverbogen vorm immers zouden bijvoorbeeld teleurstellend en terughoudend geen reden tot aanpassing hoeven te ondervinden, gezien het bestaan van reguliere werkwoordelijke grondwoorden. Bij de verbogen vormen echter ligt dat anders. Woordvormen als teleurstellende en terughoudende zouden bij dit accent een lange uitloop van drie onbeklemtoonde lettergrepen krijgen, wat in ritmisch opzicht als minder welluidend of articulatorisch als wat moeizamer kan gelden. Is eenmaal het accent in de verbogen vormen verschoven, dan kan dat mogelijk zijn terugslag geven op de onverbogen vorm, die dan een corresponderende  aanpassing ondergaat. De onverbogen vormen worden dan bij terugwerkende kracht teleurstellend en terughoudend

Depredicatieve vorm zou dan onder invloed staan  van het attributieve gebruik. Een soort Rückbildung  of back-formation. Best een spannende gedachte, zo lijkt ons. En we kunnen dit ook nog wat algemener formuleren: de verschuiving treedt op bij, en beperkt zich tot, juist dit type samenstellingen, omdat die, in tegenstelling tot andersoortige afleidingen,  een adjectivisch gebruik maken van het werkwoordelijke stamelement, waarbij het attributieve gebruik veelal dominant zal zijn.