Szomjas vagyok

Nene leert Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Nene is nu acht maanden weg uit Hongarije en haar Hongaars is bijna weg, in ieder geval als ze met ons spreekt. Er zijn nog een paar restanten: als ze moet plassen zegt ze thuis soms nog pisilniki – eigenlijk een door ons verbasterde vorm van het Hongaarse woord pisilni – terwijl ze op school heeft geleerd dat het naar de wc gaan heet. En als ze dorst heet zegt ze vaak nog szomjas vagyok.

Waarom dat laatste? Mijn idee is dat het iets is dat wij eigenlijk nooit zeggen (we lopen naar de kraan), dat ze op school niet hoeft te zeggen (ze loopt naar de kraan, die thuis te hoog zit) en waarvan ze weet dat wij, de enigen tegen wie ze het zegt, de Hongaarse vorm ook wel kennen.

Onverwacht

Met de vorm is ook nog wel iets aan de hand, want toen wij Nene leerden kennen, kon ze de Hongaarse v niet zeggen, en zei ze ongeveer szojjas majok. Ze had in haar Hongaars sowieso volgens de logopedische rapporten die we hadden een achterstand, en kon nog niet alles uitspreken. Inmiddels heeft ze de v wel leren zeggen, en die duikt nu ineens ook op in vagyok. (Ik kan niet goed zeggen of het de Hongaarse of de Nederlandse is.)

Het laat geloof ik iets zien dat ook wel beschreven is voor eentalige kinderen: dat het leren dat een woord een bepaalde klank heeft (en die klank herkennen als iemand hem zegt) en het leren maken van die klank twee verschillende dingen zijn. Je kunt als kind al leren dat een woord een bepaalde klank heeft terwijl je hem in je eigen spraak nog vervangt door een ander.

Dat is hier aan de hand: op een volkomen onverwacht moment gaat haar Hongaars nog een heel klein beetje vooruit, al gebruikt ze die taal nauwelijks nog.

Illustratie: V.N. van Oostendorp