Van Geesjen tot Evi: twee eeuwen suffixen in meisjesnamen

Voornamendrift 48

Figuur 1. De procentuele populariteit van meisjesnamen op -jen.

Door Gerrit Bloothooft en David Onland

Er zijn weinig eigenschappen van voornamen die al grotendeels in de 19e eeuw verdwijnen. Maar meisjesnamen op -jen zoals Aaltjen, Gerritjen, Hendrikjen, Jantjen, Geertjen, Geesjen en Grietjen behoren daarbij (figuur 1). Te Winkel wijdt in de Taalgids van 1862 een artikel aan het verkleinwoord, waarin hij pleit voor het weglaten van de nutteloze en niet uitgesproken laatste n van -jen. Uit de voornamen blijkt dat dit toen inderdaad al grotendeels realiteit was (ook voor -gen en -ken). Hoe ontwikkelde de verklein- of beter de vleivorm in meisjesnamen zich in de laatste twee eeuwen?


Figuur 2. De geografische verdeling van het suffix -jen in meisjesnamen tussen 1790 en 1880 (percentage per gemeente, naar indeling van 2007).

De verspreiding van het -jen suffix tussen 1790 en 1880 (figuur 2) laat een band zien van midden Friesland tot de Achterhoek. Het overige deel van Drenthe en een groot deel van Groningen gaf de voorkeur aan -ien (figuur 3, topnamen Jantien, Geessien, Anne(ch,g)ien, Hillechien, Aaltien, Marchien, Hinderkien, Roelfien, Lammechien).


Figuur 3. De geografische verdeling van het suffix -ien in meisjesnamen tussen 1790 en 1880 (percentage per gemeente, naar indeling van 2007). In Brabant gaat het vooral om Hendrien, Gijsberdien en Lamberdien.
Figuur 4. De procentuele populariteit van meisjesnamen op -je.

De voornamen op -jen vielen al aan het eind van de 18e eeuw in het niet bij die op -je (figuur 4), dat tien keer vaker voorkwam. Een kwart van alle meisjes had in de 19e eeuw een voornaam op -je, met als topnamen: Grietje, Trijntje, Aaltje, Antje, Neeltje, Jan(ne)tje. Na 1880 zette een sterke daling in en nu krijgt nog maar een paar procent van de meisjes een naam op -je. De uitgang -je volgt in feite de teruggang van alle traditionele namen in de twintigste eeuw. Deze traditionele meisjesnamen kunnen gebaseerd zijn op een jongensnaam die door de verkleinvorm vervrouwelijkt werd, Jan > Jantje, Hendrik > Hendrikje. Maar -je kan ook als een vleivorm die een verzachting of vertedering uitdrukt gezien worden. Dat laatste is waarschijnlijk want alhoewel vrouwen gemiddeld korter zijn dan mannen, hoeft Jantje helemaal niet kleiner te zijn dan Jan. De top -je namen zijn ook vaak gebaseerd op van oorsprong vrouwelijke namen: Margaretha > Grietje, Catharina > Trijntje, Adelheid/Aalt > Aaltje, Anna > Antje, Maria > Maartje. Het is daarom vermoedelijk ook geen afkeer van de (impliciet vrouwelijke) zachtheid die -je oproept die de verminderde populariteit in de 20ste eeuw veroorzaakte, maar simpelweg het verlaten van de vernoemingstraditie. Deels werd het verlies van -je door andere suffixen overgenomen.

Heel kenmerkend is dat mannennamen traditioneel op een medeklinker eindigen (90%, figuur 5) en vrouwennamen op een klinker (tot 1940 vrijwel 100%, figuur 6; tot 1880 nog wel -en). Maar na 1960 groeit het iets naar elkaar toe: nu eindigt 25% van de mannennamen op een klinker en eindigt 25% van de vrouwennamen op een medeklinker. Wellicht kan dat als een vorm van emancipatie of gendergelijkheid worden gezien.

Figuur 5. Percentage voornamen van mannen die op een medeklinker eindigen.
Figuur 6. Percentage voornamen van vrouwen die op een klinker eindigen.

Voor vrouwen is de van oorsprong Latijnse vrouwelijke uitgang op -a dominant. Het percentage groeide van 50% in 1790 tot 70% in 1930 en volgt na 1950 de terugval van alle gelatiniseerde namen (figuur 7) maar stabiliseert nu op 33%. Ook de uitgang -a is (naast de al eerder genoemde van oorsprong vrouwelijke namen, waaronder het zeer populaire Maria) meestal gebaseerd op de mannelijke vorm, Franciscus > Francisca, Petrus > Petra/Petronella, Wilhelmus > Wilhelma/Wilhelmina, met bijvoorbeeld ook -ina en -ella.

Figuur 7. De procentuele populariteit van meisjesnamen op -a.

De verkleinvorm -ke (figuur 8) vormde in de 19e eeuw 4% van alle meisjesnamen, en kon zelfs juist als -ken in de ogen van Te Winkel genade vinden: “Daarin zou ik zonder bedenken, op weinig uitzonderingen na, aan den ouderen vorm met de n de voorkeur geven. De woorden, met dit suffix gevormd, behooren niet meer tot de algemeene spreek- en schrijftaal; zij zijn provincialismen en archaïsmen geworden, en zijn in de laatstgenoemde qualiteit nog in bijbel- en kanselstijl gepast.” Voornamen op -ken waren in de 19e eeuw vooral Jenneken, met daarnaast Fenneken, Geesken, Anneken en Willemken; -gen kwam al vrijwel niet meer voor. Alhoewel -ken met -jen verlaten werd, bleef -ke in de 19e eeuw constant met (veelal Friese) topnamen Janke, Maaike, Akke, Tjitske, Aafke, Klaaske, Sytske, Jenneke, Geeske, Rinske. Dat blijkt ook uit de verspreiding van meisjesnamen op -ke (figuur 9) die in de 19e eeuw vooral in Friesland, Groningen, de westelijke Betuwe en in Zeeuws-Vlaanderen te vinden zijn. In de laatste gebieden gaat het vooral om Jenneke, Maaike en Anneke. Overigens zijn jongensnamen op -ke in Friesland nog steeds gebruikelijk, in wat mindere mate in Groningen en Drenthe. Ook dat weerspreekt de gedachte dat -ke een verkleinvorm is. Na 1940 en vooral na 1970 zijn er verschillende oplevingen van -ke, mede door de populariteit van Marieke, Femke, Maaike en Nienke/Nynke.

Figuur 8. De procentuele populariteit van meisjesnamen op -ke.

Figuur 9. De geografische verdeling van het suffix -ke in meisjesnamen tussen 1790 en 1880 (percentage per gemeente, naar indeling van 2007).

In het algemeen werden meisjesnamen op -e (buiten -ke, -je en -ie) aanzienlijk populairder in de tweede helft van de vorige eeuw (figuur 10). Van nauwelijks 1% in de 19e eeuw steeg het aandeel tot 20% in de jaren negentig van de vorige eeuw, onder andere door Anne. De kleine oplevingen in de Franse tijd komen vooral door Franse namen: Henrie/ëtte, Jeanne(tte), Louise, Anne, Marianne, Antoinette, Charlotte, Josephine.

Figuur 10. De procentuele populariteit van meisjesnamen op -e behalve -ke, -je en -ie.

Ten slotte zijn er de meisjesnamen die eindigen op -ie, -i  of -y (figuur 11). In het begin van de 19e eeuw waren Marie en Geertrui daar een afnemende representant van. In de loop van de twintigste eeuw steeg de populariteit van -y en -ie rond 1940 eerst als roepnaam die officieel werd opgegeven zoals Corry, Annie, Jannie, Nelly, Henny, Willy, terwijl na 1970 het aandeel Engelse namen met onder andere Noami, Romy, Demi, Wendy en Kelly voor een flinke groei zorgden. Nu dragen Sophie en Evi ertoe bij.

Figuur 11. De procentuele populariteit van meisjesnamen op -ie, -i, of -y.

Nog genoemd kan worden dat Franse meisjesnamen op -ique (figuur 12) of -iek (vaak de vernederlandsing daarvan, figuur 13) een typisch modeverschijnsel uit de tweede helft van de vorige eeuw zijn, waarbij -ique vooruitliep met een top in 1968, gevolgd door -iek dat trager en veel minder populair was met een top rond 1980. Topnamen zijn respectievelijk Monique, Angelique, Danique, Dominique, Veronique, Frederique waarin alle e ook als é gespeld kunnen worden, en Annemiek, An(n)iek, Moniek, Daniek, Frederiek, Janiek, Elsemiek, Kiek, Angeliek, Veroniek. De namen op -miek zijn eigenlijk verkortingen uit Maria>Marieke>Mieke die ook rond 1980 het meest populair waren (onderdeel van de namen op -ke in figuur 8). Al deze namen hebben de Franse klemtoon op het suffix, net zoals de namen op -ina, -ine, -ella, -elle.

Figuur 12. De procentuele populariteit van meisjesnamen op -ique.
Figuur 13. De procentuele populariteit van meisjesnamen op -iek.
  • Voor wie zelf op de voornamenbank samenvattende grafieken wil maken: gebruik de optie <geavanceerd> met in de zoekopdracht een reguliere expressie. Voor alle voornamen op -je is dat je$, voor alle voornamen op -ie, -y of -i is dat (ie|y|i)$, voor alle voornamen op een medeklinker [bcdfghjklmnpqrstvwxz]$.