Seizoenarbeid

Foute boeken? Uit de kast (9)

Door Nico Keuning

L.H. Wiener debuteerde in december 1966 met het verhaal ‘Mijne heren’ in Tirade, het tijdschrift van uitgever Geert van Oorschot. Maar de debuutbundel Seizoenarbeid (1967) zou, onder de voluit geschreven naam Lodewijk-Henri Wiener, verschijnen bij J.M. Meulenhoff. Uitgever Willem Bloemena had in het contract het streepje tussen de voornamen toegevoegd. Het verhaal ‘Jansen’ in de bundel werd de aanleiding tot een rechtszaak en een veroordeling tot het betalen van ƒ 3888,- inclusief de kosten van het proces. Een fors bedrag in die tijd.

De eiser in de rechtszaak had zich in ‘Jansen’ herkend: de uitbater van de uitzichttoren in een dorp aan zee. Een vijftiger met een bril. ‘Hij had lichtblauwe, iets te bolle ogen en heette Jansen,’ schrijft Wiener in het verhaal. De eiser voelde zich aangesproken, ‘hoewel hij zo helemaal niet heette,’ aldus L.H. Wiener in Herinneringen aan mijn uitgevers (2008). Zandvoort wordt in het verhaal niet genoemd, maar dat het verhaal zich daar afspeelt leek de advocaat gerechtvaardigd aangezien andere verhalen in de bundel zich ook in Zandvoort afspelen. Wiener in zijn Herinneringen: ‘De inhoud van de novelle “Jansen” werd dus gewraakt op basis van de inhoud in andere verhalen uit mijn bundel, die niet verboden werden. Holadiejee.’ De verhalen, die eerder door Bloemena getypeerd werden als ‘fragmenten’, worden in de rechtszaak aangeduid als ‘een zevental novellen’.

De gewraakte passage betreft de beschrijving van het tafereel dat de liftboy, de hoofdpersoon in het verhaal, aantreft als hij de kamer van Jansen binnenloopt: ‘De omstandigheden waren hoogst compromitterend.’ (p. 94) De liftjongen treft Jansen aan in gezelschap van een van de serveersters van de lunchroom. Op bladzijde 115 worden de compromitterende omstandigheden nader beschreven:

Jansen lag op de divan.
Onder hem lag Hannie.
Zijn broek lag in zijn knieholten.
Hij keek op.
Dit waren zeker de momenten waarop hij niet gestoord wenste te worden. De directeur had zijn personeel er zo goed onder, dat het niet nodig was de deur op slot te doen.
Ik moet zeggen dat ik wel was geschrokken toen ik ze zo zag liggen.
Jansen grabbelend naar de deken om die over zich heen te trekken.

De vicepresident van de Arrondissementrechtbank in Haarlem eist, ‘overwegende dat door het beschrijven van het plegen van voormelde handelingen door iemand, met wie, zoals reeds is overwogen, slechts eiser bedoeld kan zijn, gedaagde sub 1 [lees: de schrijver] de eer en goede naam van eiser – die, naar vaststaat, een gehuwd man is – heeft aangetast, en zich aldus ten aanzien van eiser aan een onrechtmatige daad heeft schuldig gemaakt’, de uitgave van Seizoenarbeid te staken, ‘voor zover daarin voorkomt de novelle “Jansen”.’

De suggestie in het verhaal dat Kees, de vorige liftboy, door Jansen van de toren is geduwd nadat de jongen hem eveneens met een serveerster had betrapt, was kennelijk geen punt voor de eiser, terwijl diezelfde Jansen in het verhaal door de nieuwe liftbediende verdacht wordt van moord. Als de liftjongen op zolder de vlag aan de buitenkant van de toren wil ophangen, verschijnt Jansen, die na de ontdekte compromitterende scène, door de liftboy wordt gechanteerd. Er ontstaat een gevecht, waarbij Jansen door een trap tegen zijn keel wordt uitgeschakeld. Maar hij leeft nog. De jongen kijkt om zich heen:

Daar was de ladder met de gebroken sport. Het luik. De lucht erboven en het touw achter de ring. Dat had Jansen daar vastgeklemd met de bedoeling dat ik op het dak zou gaan om het los te maken. Dan zou hij komen en me aan mijn benen achteruit naar beneden trekken. Zo was het met Kees natuurlijk ook gegaan. Iedereen in de toren wist het, maar ze spraken er niet over; het bleef hun geheim.

Kennelijk was voor de eiser seks erger dan de suggestie van moord. Het vonnis werd in hoger beroep bekrachtigd door het Gerechtshof aan de Prinsengracht in Amsterdam. Dat Simon Carmiggelt in een Kronkel in Het Parool en H.U. Jessurun d’Oliviera in een juridische publicatie de kant van Wiener hadden gekozen mocht niet baten. De advocaat die namens Meulenhoff het woord voerde, haalde zijn pleidooi onderuit door tot tweemaal toe de naam van de hoofdpersoon met die van de eiser te verwisselen, terwijl de essentie, de argumentatie van de verdediging nu juist was gebaseerd op het verschil tussen beiden: het verschil tussen fictie en werkelijkheid. Had Wiener, als destijds Gerard Kornelis van het Reve in het Ezelproces, zelf maar zijn pleitrede gehouden. Goede kans dat het eerdere vonnis zou zijn verworpen.

Voor publicatie van de bundel had Wiener nog aan zijn uitgever gevraagd of het verhaal ‘Jansen’ in deze vorm wel gepubliceerd kon worden. ‘Geen enkel probleem,’ verzekerde Bloemena hem: ‘Jan Wolkers had in zijn verhaal “Gezinsverpleging” een zeer schrijnend beeld geschetst van een meisje dat hij met naam en toenaam noemde; Marie van der Tang, heette zij. Nooit iets gebeurd.’ Maar in het geval van Wiener werd de schrijver veroordeeld tot het betalen van een boete plus proceskosten, terwijl de uitgever buiten schot bleef. Wiener vindt dat Meulenhoff hem voor de mogelijke gevolgen had moeten waarschuwen en dat de uitgever daarom de schadevergoeding moet betalen. Wiener schrijft Bloemena een brief en belt hem een dag later op. Bloemena reageert koel en afstandelijk, maar hij zegt ruimhartig toe alles te betalen.

Bij Meulenhoff is in 1967 van Lodewijk-Henri Wiener nog wel de roman Zwarte vrijdag verschenen. Maar de affaire Jansen heeft uiteindelijke geleid tot een onherstelbare breuk tussen de uitgever en de schrijver. De volgende bundel Man met ervaring zou in 1973 bij G.A. van Oorschot verschijnen onder de auteursnaam L.H. Wiener. Daarmee was het streepje van Bloemena definitief uitgewist.