Nog een focuspartikel ook

Door Ton van der Wouden

Het Nederlands is een ingewikkelde taal met een hoop kleine woordjes. De kleinste zijn vaak het ingewikkeldst. Vandaag wil ik het hebben over nog en ook.

Zoals heel veel talen heeft het Nederlands focuspartikels, die de spreker kan gebruiken om een bepaald zinsdeel te beklemtonen en af te zetten tegen alternatieven. De bekendste zijn ook, zelfs en alleen:

  • Ook de kickbokser danste (anderen dus ook)
  • Zelfs de kickbokser danste (anderen dus ook, maar van de kickbokser hadden we het het minst verwacht)
  • Alleen de kickbokser danste (verder danste er niemand)

Naast deze drie heeft het Nederlands nog veel meer focuspartikels (die soms uit meer dan een woord bestaan), allemaal met hun eigen betekenisnuances waar ik hier en nu verder niet op inga:

  • Jeugdzorg heeft vooral meer geld nodig (geld is noodzakelijker dan al het andere)
  • Slechts 25% van de huishoudens heeft een CO-melder (de overgrote meerderheid dus niet)
  • Uitgerekend op mijn verjaardag moest hij werken (van alle mogelijke data…)
  • Vrijwilligers gezocht met name voor de dinsdag (niet zozeer dus voor de andere dagen)

Je hebt ook nog aspectuele partikels (al, nog, en pas zijn de bekendste) die traditioneel worden opgevat als een speciaal soort focuspartikels

  • De koningin lag pas om drie uur in bed (niet eerder)
  • De koningin lag al om drie uur in bed (onverwacht vroeg)
  • De koningin lag om drie uur nog in bed (dat hoort niet, zo kennen we haar niet)

En een andere groep bijzondere focuspartikels wordt gevormd door ondoorzichtige combinaties als ook maar en zelfs maar, die graag in een negatieve omgeving voorkomen (we noemen ze negatief-polaire uitdrukkingen), maar elk weer op hun eigen manier:

  • Niemand heeft ook maar een flauw idee wat het is
  • Heet weer zonder onweer of zelfs maar neerslag

In deze bijdrage wil ik aandacht vragen voor een combinaties waar bij mijn weten nog bijzonder weinig aandacht aan besteed is, namelijk ook nog (de klemtoon ligt steeds op ook). Ook lijkt hierin het “gewone” focuspartikel ook te zijn, nog is zeker niet het aspectuele nog dat hierboven al aan de orde is geweest, misschien wel het “additieve” als in het volgende voorbeeld:

Je hebt een gebruik van ook nog waarbij het direct vóór het zinsdeel staat waarop het betrekking heeft, en één waar het er direct achter staat:

  • We hebben ook nog de hele donderdag (naast de uren die we verder nog hebben)
  • We hebben de hele donderdag ook nog (naast de uren die we verder nog hebben) (CGN)

In beide gebruiksmogelijkheden draagt ook nog vaak ook nog een subjectief betekenisaspect van verbazing bij.

Dat een focuspartikel zowel links als rechts van de focusconstituent kan staan, dat is op zich niet bijzonder: zelfs en zijn negatieve tegenhanger niet eens kunnen dat ook:

  • Ze heeft zelfs de bóéken gelezen (niet alleen de artikelen en Wikipedia)
  • Ze heeft de bóéken zelfs gelezen (niet alleen de artikelen en Wikipedia)
  • Ze heeft niet eens Wikipédia gelezen (laat staan de artikelen of de boeken)
  • Ze heeft Wikipédia niet eens gelezen (laat staan de artikelen of de boeken)

Ook nog is echter bijzonder in die zin dat het een variant heeft waarbij nog en ook het zinsdeel waarop ze samen betrekking hebben, omsluiten; het subjectieve betekenisaspect is bij deze variant voor mijn gevoel soms wat sterker dan bij nog ook. Nog staatin dit gebruik vóór de focusconstituent, ook erachter; de omgekeerde volgorde is ongrammaticaal:

  • Ze is nog wereldkampioen kickboksen ook (naast alle andere dingen die ze was)
  • *Ze is ook wereldkampioen kickboksen nog 

Het bijzonderste van ook … nog is evenwel dat ook nog verder naar rechts kan, en dat bij voorkeur ook doet. Het liefst lijkt ook helemaal aan het eind van de zin of uiting te staan: na de werkwoordelijke eindgroep en na een eventuele uitloop, onafhankelijk van de mate van inbedding van nog en de bijbehorende constituent:

  • Ze is nog wereldkampioen kickboksen geworden ook 
  • Ze is nog wereldkampioen kickboksen geworden vorig jaar ook 
  • Ze wist nog te vertellen dat ze wereldkampioen kickboksen geworden is ook 
  • Ze wist te vertellen dat ze nog wereldkampioen kickboksen geworden is ook

In deze voorkeur voor de allerlaatste plaats van de zin is dit ook bij mijn weten uniek, in elk geval voor het Nederlands. Oppervlakkig lijkt het daarentegen wel op het Afrikaanse nie2, het tweede deel van de tweeledige ontkenning nie .. nie, dat ook altijd helemaal achteraan staat:

  • Daar is baie Afrikaanse webblaaie waar gevloek en geskel word. Maar daar is nog nie ‘n webblad wat spesifiek óór Afrikaanse vloekwoorde en verwante verskynsels handel nie (https://vloek.co.za/oor-ons)
    ‘Er zijn heel wat Afrikaanse webpagina’s waar gevloekt en gescholden wordt. Maar er is nog geen webpagina die specifiek óver Afrikaanse vloekwoorden en aanverwante verschijnselen gaat’

Of deze overeenkomst tussen Nederlands ook en Afrikaans nie2 meer is dan oppervlakkig, moet nader onderzoek uitwijzen. Feit is wel dat de verschillende varianten van ook nog/ook … nog nadere studie waard zijn – en nog uniek in de Nederlandse syntaxis (voor zover ik weet) ook, al laat ik me graag overtuigen van het tegendeel.

Met dank aan Ad Foolen

Beknopte bibliografie

Tim van Baar (1997). Phasal polarity. Diss. UvA.

Hans den Besten (1986). Double Negation and the Genesis of Afrikaans. In Pieter Muysken & Norval Smith (red.): Substrata versus universals in Creole languages. Papers from the Amsterdam Creole workshop, April 1985. John Benjamins, 185-230.

Jack Hoeksema & Frans Zwarts (1991). Some Remarks on Focus Adverbs. Journal of Semantics 8, 51-70.

Jack Hoeksema & Hotze Rullmann (2001). Scalarity and Polarity: a Study of Scalar Adverbs as Polarity Items. In Jack Hoeksema, Hotze Rullmann, Víctor Sánchez Valencia & Ton van der Wouden (red.):  Perspectives on Negation. John Benjamins 129-171

Ekkehard König (1991). The meaning of focus particles. Routledge.

P.C. Paardekooper (1979). Ook maar iemand. De Nieuwe Taalgids 72, 429—48.

Fritz Ponelis (1985). Afrikaanse sintaksis. Tweede druk. Pretoria: J.L. van Schaik.

Hans Smessaert (1999). Perspectief en vergelijking: aspectuele partikels in het Nederlands. Peeters.

Ton van der Wouden (2006). Partikels: woordjes die het Nederlands markeren. In Nicoline van der Sijs, Jan Stroop, & Fred Weerman (red.): Wat iedereen van het NEDERLANDS moet weten en waarom. Uitgeverij Bert Bakker: 119-129

Ton van der Wouden & Ad Foolen (2015). Dutch particles in the right periphery. In: Sylvie Hancil, Alexander Haselow & Margje Post (eds.): Final Particles. De Gruyter Mouton, 221-247.

Frans Zwarts (1981): Negatief polaire uitdrukkingen 1. Glot 4, 35-132.