‘Het probleem blijft ondertussen dat ik niets over Multatuli te vertellen heb’

De Multatulileesclub (63)

Door Marc van Oostendorp

– Ja! De jaren tachtig!

– Van de twintigste eeuw.

– De jaren tachtig van de twintigste eeuw. Die spatten je wel tegemoet uit dit boekje Er is niets poëtischer dan de waarheid.

– Dat begint al met het uitermate slordige uitgeven. Er hebben allerlei schrijvers meegedaan aan dit werkje, waarvan de opbrengsten moesten gaan naar een standbeeld van Multatuli, maar van wie ging het initiatief uit? Er wordt nergens een redacteur genoemd, en het voorwoord is ook anoniem.

– Als je een en ander goed leest, kom je er wel achter dat Ivan Wolffers achter het plan zat. Sommige stukken zijn brieven aan hem gericht.

– Oké, maar ik bedoelde met ‘de jaren tachtig!’ vooral de lijst met schrijvers. Waaronder mensen die ik sterk met de literatuur uit die jaren associeer, zoals Nico Scheepmaker, Boudewijn Büch en Hermine de Graaf, mensen die gewoon van de naoorloogse periode zijn zoals Willem Frederik Hermans en Maarten ’t Hart en Karel van het Reve, en mensen van ik eigenlijk niet besefte dat die in die tijd nog leefden, zoals Adriaan van der Veen en Annie van den Oever.

– Tegelijkertijd heb ik het idee dat de toon van een dergelijk boekje, mocht iemand het in 2019 willen maken, niet erg zou afwijken van wat men inn 1986 voor elkaar kreeg.

– Grappig dat dacht ik ook: je zou eenzelfde mix krijgen van welwillende afwijzingen…

– Hermans:

Mocht de bundel toch doorgaan, dan moogt u, wat mij betreft, deze brief (…) erin opnemen indien u diet dienstig lijkt, maar verder kan ik niet gaan.

– … en aardige herinneringen aan een leven met Multatuli…

– F. Springer vertelt hoe hij als jongetje in de gaten kreeg dat zijn vader zijn exemplaar van Max Havelaar wilde verkopen:

Ik struikelde de kamer binnen. Twee verschrikte heren keken mij aan. ‘Niet doen, niet doen, mag niet!’ schijn ik geroepen te hebben. ‘Niet Saïdjah! Niet Adinda!’
Mijn vader keek mij met een bijna schuldige blik aan en de Havelaar bleef. ‘De jongste multatuliaan ter wereld’, zei de heer Lezer grinnikend en gaf mij de Havelaar, die ik stevig tegen mij aanklemde.

– … stukjes die wel heel erg op de automatische piloot gemaakt zijn omdat er ook nog wat moest voor dat aardige initiatief voor een standbeeld…

– Nico Scheepmaker somt de eerste zin op in allerlei vertalingen van Max Havelaar die hij toevallig heeft kunnen vinden:

Je suis commissionaire en cafés, et je demeure, Canal des Lauriers, no, 37. (Frans, A.J. Nieuwenhuis et Henri Crisafulli, 1876)

Je suis courtier en café et j’habite Lauriergracht, no. 37. (Frans, Edouard Mousset, ?

Je suis courtier en café. J’habite Lauriergracht, no. 37. (Frans, Roland Garros, 1968)

– … wat aardig dat jij mijn opsomming steeds van passende voorbeelden voorziet! Heb je er ook een bij: schrijvers die denken dat het lekker baldadig is om erop te wijzen dat ze helemaal niet van Multatuli houden?

– Oh, daar zijn er een paar van, die allemaal denken dat ze origineel zijn. Maarten ’t Hart, die beweert alle zestien tot dan toe verschenen delen van het Volledig Werk ‘geduldig’ te hebben doorgelezen, al legt hij niet uit waarom, denkt bijvoorbeeld dat hij een belangrijk bezwaar naar voren brengt als hij erop wijst dat Douwes Dekker Franse woorden gebruikte:

Het is te hopen dat die arme Tine een Frans woordenboek bij de hand had. Zijn leven lang blijft Multatuli dit mengelmoes van Nederlands en Frans, dit Koeterwaals kortom, schrijven. (…) Nooit kan hij het woord weerlegging gebruiken, altijd moet het refutatie zijn. Honderden keren klaagt hij dat hij geen loisir heeft.

– En dan hebben we natuuurlijk de in de jaren tachtig onvermijdelijke Boudewijn Büch, die in zijn narcisme een heel stuk schrijft over het feit dat Multatuli hem niet interesseert:

Het probleem blijft ondertussen dat ik niets over Multatuli te vertellen heb. Ik heb geen aardige jeugdherinneringen aan de eerste keer toen ik hem las, ik ben nooit ontroerd geraakt door bepaalde passages uit zijn werk en ik loer ook niet ook niet dagelijks op eerste drukken van Multatuli’s werk.

– Het doet je wel even fantaseren wie nu een dergelijk stukje zou schrijven. Iemand die denkt dat zijn eigen literaire smaak zo interessant is dat ook als hij geen mening heeft, die mening de moeite van het vermelden waard is?

– Arjan Peters?

– En wat zouden Arnon Grunberg of Marieke Lucas Rijneveld schrijven? Laten we hopen dat er snel een nieuwe Ivan Wolffers opstaat!

– Het interessantste stuk is wat mij betreft dat van A. Alberts. Die probeert zich voor te stellen wat er gebeurd zou zijn als Max Havelaar niet in 1860, maar in 1850 verschenen zou zijn.

– Dan zou de schrijver tien jaar jonger zijn geweest?

– Dat ook, maar Alberts laat zien dat de reactie dan anders zou zijn geweest. In 1860 zat een grote groep ‘liberalen’ op kritiek op het beleid in Nederlandsch Indië te wachten: een groep ondernemers wilde Max Havelaar aangrijpen om het ‘cultuurstelsel’, waarbij de overheid de macht had, te vervangen door een stelsel waarbij ondernemers het voor het zeggen hadden.

– Het valt me trouwens op dat al die schrijvers het bijna alleen over Max Havelaar hebben.

– Woutertje Pieterse komt een enkele keer ook voorbij.

– Behalve dus bij Maarten ’t Hart, maar die zegt wel dat hij alle zestien delen gelezen heeft, maar laat daar verder weinig van blijken.

– Nou, Hans Vervoort laat zich van zijn erudiete zijde zien, en bespreekt heel aardig de correspondentie met Sicco Roorda van Eysinga, de ‘kleine Multatuli’, iemand met soortgelijke ideeën en een in sommige opzichten vergelijkbare levensloop, maar minder talent:

In de correspondentie die Multatuli’s weduwe in 1907 uitgaf, zien we de heren in kamerjas, want ze schreven elkaar vaak tussen het broodschrijven door, als ze even behoefte hadden aan een sympathiserende lotgenoot.

– Alles bij elkaar functioneert dit boekje toch het best als een soort enquête: wat konden Nederlandse schrijvers zo snel ophoesten als ze in haast iets over de 100 jaar eerder overleden collega moesten zeggen? Een paar aardige dingen, weinig origineels, en vooral verbazingwekkend veel Max Havelaar. 

– Mooi, en nu?

– Volgende week wilde ik het boekje Bedelbrieven voor Multatuli van Elsbeth Etty bespreken.

– En hoe komen we daaraan?

– Door geld te storten aan het Multatuli-museum voor het 21e-eeuwse equivalent van dat standbeeld, het project Multatuli Online!