Gedicht: Richard Minne • Van op de hooge brug

Van op de hooge brug

Van op de hooge brug onder den kroonlantaren,
is alles, nu gezien, zoo anders dan het was
toen wij den tragen avond gingen tegenvaren,
of spraakloos onder de elze zaten in het gras.

De Leie en lijkt ons maar een landelijk rivierken,
een wandelende streep, en wat traag water toe,
met aan iederen draai een waaiend populierken,
een half-verdronken ponte, een schilder en een koe.

Hier langs de straten is ’t zoo triestig en het regent.
Maar ginder is de nieuwe maan al opgestaan.
Waarom nu elk van u de Leie niet gezegend?
Meneer van de Woestijne heeft het vóór-gedaan.

Of wist ge ’t niet: dat Jezus ’t veer kwam overzetten,
(de lelie drijft, alwaar zijn riemslag heeft verpoosd),
en dat men tot zijn glorie, onder de gloriëtten,
des Zondags aan een matig prijsken paling roost?

Richard Minne (1891-1965)
uit: In den zoeten inval (1927)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.