Een negende huis

Door Henk Wolf

Er is iets geks met rangtelwoorden. In een heleboel opzichten zijn dat gewoon bijvoeglijke naamwoorden. Maar er zijn kleine verschillen. En die verschillen manifesteren zich in het Nederlands net iets anders dan in het Fries.

In z’n algemeenheid heeft een bijvoeglijk naamwoord een vorm die bestaat uit het kale woord en een vorm op -e. De -e-vorm gebruik je onder andere na een bepaald lidwoord (de/het) en na het onbepaald lidwoord (een) van een de-woord.

  • de kleine hond
  • een kleine hond
  • het kleine huis

De kale vorm gebruik je onder andere na het onbepaald lidwoord van een het-woord en wanneer het bijvoeglijk naamwoord een zelfstandig zinsdeel is:

  • een klein huis
  • De hond is klein.
  • Het huis is klein.

Rangtelwoorden lijken het iets anders te doen. Kijk maar:

  • de kleine hond        de tweede hond
  • een kleine hond      een tweede hond
  • het kleine huis        het tweede huis
  • een klein huis         een tweede huis
  • De hond is klein.    De hond is <hier past geen vorm van tweed(e)>
  • Het huis is klein.     Het huis is <hier past geen vorm van tweed(e)>

Rangtelwoorden komen altijd alleen met -e voor en ze kunnen niet makkelijk als apart zinsdeel worden gebruikt.

Het Fries gedraagt zich niet anders dan het Nederlands:

  • de lytse hûn             de twadde hûn
  • in lytse hûn              in twadde hûn
  • it lytse hûs                it twadde hûs
  • in lyts hûs                 in twadde hûs
  • De hûn is lyts.         De hûn is <hier past geen vorm van twad(de)>
  • It hûs is lyts.             It hûs is <hier past geen vorm van twad(de)

Maar er is een context waarin rangtelwoorden zich in beide talen verschillend gebruiken. Dat is die waarin ze verwijzen naar de plaats in de rangorde van een wedstrijd. Hier in beide talen een voorbeeld met het telwoord als apart zinsdeel:

  • De atlete was tweede.
  • De atlete wie twadde / twad.

Tot nu toe heb ik niets beschreven dat onbekend was. Maar er is nog een verschil en daarvan werd ik me bewust toen ik op de site van Omrop Fryslân las over “in teloarstellend 14e plak”. Plak is een onzijdig (it-)woord in het Fries, dus je zou inderdaad de vormen verwachten die Omrop Fryslân gebruikt, maar toch klonk de constructie niet goed. Zonder teloarstellend ging het wel: “in 14e plak” klinkt prima. Maar zonder -e ging het ook: “in fjirtjind plak” klinkt voor mij ook goed.

Om na te gaan of dat niet al te idiosyncratisch was, heb ik het woordenboek er even bij gepakt en dat bevestigt mijn intuïtie. Het geeft voorbeeldzinnen als de volgende:

  • det is myn fierd gebod (“Dat is mijn vierd(e) gebod”)
  • As tred ûnderskied kin men neame (“Als derd(e) onderscheid kan men noemen”)

Anders dan in het moderne Nederlands kan in het Fries na bezittelijke voornaamwoorden bij een het-woord de kale vorm van het bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt. De zelfstandigwoordgroep myn fierd gebod lijkt wat dat betreft op een groep met een normaal bijvoeglijk naamwoord erin.

Bij een de-woord (zoals posysje) is de e-vorm van het rangtelwoord prima met een ander bijvoeglijk naamwoord erbij:

  • in teloarstellende fjirtjinde posysje

Het lijkt erop dat rangtelwoorden die een plaats in de rangorde van een wedstrijd uitdrukken, onder de telwoorden een aparte categorie vormen, die wat de plaatsingsmogelijkheden en de vorm afwijken van andere rangtelwoorden – in het Fries net iets anders dan in het Nederlands.

Het verschil lijkt nog wat breder te zijn. Zo is “een tweede huis” (=vakantiehuis) in het Fries ook “in twadde hûs” en niet “in twad hûs”. Maar “een negende huis” kan ook (voor mijn gevoel) goed “in njoggend hûs” zijn. Dat klinkt zelfs beter dan “in njoggende hûs”. Wat dat voor de woordsoorten en -ondersoorten in het Nederlands en Fries betekent, is me momenteel nog niet goed duidelijk.

Afbeelding: Jorien ter Mors. Fotograaf: Sasha Krotov, Wikimedia