De populariteit van Oudtestamentische voornamen

Voornamendrift 47


Figuur 1. De gezamenlijke procentuele populariteit van Abraham, Mozes, Hartog en Salomon sinds 1790.

Gerrit Bloothooft en David Onland

De populariteit van Oudtestamentische voornamen die vooral door Joden werden gekozen, zoals Abraham (topnaam), Mozes, Hartog en Salomon in figuur 1, toont naast stabiliteit in de 19e eeuw en de daling in de 20e eeuw die we bij veel traditionele namen zien, een breuk rond 1880. Dat is een artefact in de gegevens en het trieste gevolg van de Holocaust. De historische gegevens voor 1880 zijn gebaseerd op namen in huwelijken van voor de Tweede Wereldoorlog en geven een representatief beeld. Maar de in de oorlog vermoorde Joden staan – als er geen overlevende kinderen waren – niet in de huidige basisregistratie personen, en daarom is de registratie na 1880 een onderschatting van, naar blijkt, minstens 40%.

Een gelijk beeld met breuk in 1880 zien we voor Aron, Levi, Nathan en Samuel (figuur 2), met het verschil dat deze Oudtestamentische namen na 1980 in de mode kwamen en vooral door niet-Joodse ouders gekozen werden.


Figuur 2. De gezamenlijke procentuele populariteit van Aron, Levi, Nathan en Samuel sinds 1790.

Die modieuze populariteit zien we voor meisjes bij Esther en Judith in de jaren 70 van de vorige eeuw (figuur 3) – ze komen ook relatief vaak bij zusjes voor – , bij Rachel en Rebecca eveneens maar met een tweede piek rond 2000 (figuur 4), en ten slotte Sara (figuur 5), als vrouw van aartsvader Abraham de meest populaire vrouwennaam onder Joden, waarvoor de populariteit eerst het dalende patroon van Abraham, Mozes en Salomon laat zien, maar die zich na 1980 tot een topnaam ontwikkelde – tezamen met de variant Sarah die voor 1980 nauwelijks voorkwam. Dat Sara/Sarah ook Arabisch/Islamitisch is, heeft zeker tot de populariteit van de laatste decennia bijgedragen.


Figuur 3. De gezamenlijke procentuele populariteit van Esther en Judith.

Figuur 4. De gezamenlijke procentuele populariteit van Rachel en Rebecca.

Figuur 5. De procentuele populariteit van Sara.

De populariteit van de Oudtestamentische namen Ruben, Sem, Noa(h) en het verkorte Bram is alleen van de laatste decennia. Daarvoor werden deze namen vrijwel niet gekozen. Adam en Eva zijn nu ook populair maar hebben wel een lange geschiedenis in de naamgeving waarbij met name Eva (figuur 6) ook wel door Joden werd gekozen, alhoewel er in 1880 geen breuk is, wat kan betekenen dat die populariteit beperkt was. Waarom Oudtestamentische namen bij sommige moderne ouders zo in de smaak vallen weten we niet. Zelf komen ouders meestal niet verder dan dat ze de naam mooi vinden. Ze zullen de naam in hun sociale omgeving hebben opgepikt – volgens het verspreidingsmodel van modenamen dat hier eerder is ontwikkeld. Dat zijn meestal de wat hoger opgeleide ouders.


Figuur 6. De procentuele populariteit van Eva.

De geografische verspreiding van een aantal Oudtestamentische namen over Nederland geven we over de periode 1830-1880, waarbij het helderder is als we namen onderscheiden naar die vooral door Joden werden gekozen, zoals Mozes, Moses, Hartog, Salomon, Aron, Levi, Nathan en Samuel (figuur 7), met Amsterdam als kern, en Abraham en Sara die ook bij sommige Protestanten, vooral in Zeeland, na de Hervorming populair werden als vervanging van de katholieke heiligennamen (figuur 8). Vooral figuur 7 laat zich goed vergelijken met de verspreiding van (historische) synagogen in Nederland in figuur 9. Geografisch is de verdeling van Oudtestamentische modenamen na 1960 behoorlijk uniform over Nederland, behalve voor Sara en Abraham die ook nu nog steeds relatief populairder zijn in Zeeland.


Figuur 7. De verspreiding van de gezamenlijke populariteit van Mozes, Moses, Hartog, Salomon, Aron, Levi, Nathan en Samuel over Nederland tussen 1830 en 1880 (als percentage per gemeente, terwijl gemeenten zijn afgebeeld naar de situatie in 2007).

Figuur 8. De verspreiding van de gezamenlijke populariteit van Abraham en Sara over Nederland tussen 1830 en 1880 (als percentage per gemeente, terwijl gemeenten zijn afgebeeld naar de situatie in 2007).
Figuur 9. Verspreiding van (historische) synagogen in Nederland.
  • Dat bijvoorbeeld Abraham en Sara ook door protestanten werd gekozen, die niet onder de Holocaust hebben geleden, heeft invloed op de grootte van de breuk die we in 1880 in onze gegevens zien. In de Tweede Wereldoorlog is 71% van de joden in Nederland omgebracht, maar zo groot is de terugval in 1880 niet (ca 40% in plaats van 71%). Dat geldt minder voor Rachel en Rebecca waarvoor de terugval wel ca 70% is. Een andere oorzaak kan zijn dat de 29% overlevenden, voor zover ze in Nederland zijn gebleven en in 1994 (start van de basisregistratie personen) nog leefden, tezamen met hun meestal vermoorde ouders in de basisregistratie personen opgenomen zijn. De namen van de laatsten maken dan toch onderdeel uit van onze gegevens.
  • De namen van de 104.000 in de Tweede Wereldoorlog omgekomen joden zijn bekend maar opname van die gegevens in de voornamenbank is lastig omdat eerst bepaald moet worden wie wel al in de basisregistratie personen zijn opgenomen en wie niet.
  • Geloof wordt in de akten van de burgerlijke stand niet opgenomen en ook niet in de basisregistratie personen. We moeten uit andere bronnen, zoals het Joods Monument, vaststellen of een naam vooral door Joden wordt gedragen.