In memoriam Anneke Reitsma (1949-2019)

Geboren  Pematang Siantar: 31 december 1949, overleden Idsegahuizum: 15 oktober 2019

Door Johan Reijmerink

Op de herfstige zondagmiddag van 8 november 1981 hoorde ik voor het eerst Anneke Reitsma op een literaire middag een lezing houden in het voormalige Hotel ‘s-Gravenhof te Zutphen. Zij hield een voordracht over het werk van Ida Gerhardt. De violiste Emmy Verhey en de pianist Frédéric Meinders omlijstten haar lezing met muziek van Mozart en de in Zutphen geboren componist Jan Brands Buys. De toneelspeler Henk van Ulsen droeg gedichten van Gerhardt voor.

Reitsma had die middag het voornemen, zoals J.H. Leopold, de leermeester van Gerhardt, dat zo mooi had omschreven, ‘zonnestofjes in hun spel’ te begluren. In haar inleidende tekst tot die middag citeerde ze Gerhardt, de dichter die ze zozeer bewonderde: ‘Het vers van Gorter heeft de geur van graan […] – het waait ons uit de woorden tegemoet – / het vers dat in het zonlicht kan bestaan […] Brood met de geur van graan. Gij moogt het breken’. Voor Reitsma was daartoe de poëzie bestemd: ernaar te luisteren, ervan te eten en het – als lezers – zorgvuldig te delen en te ‘breken’. 

De poëzie van Ida Gerhardt had ze in haar hart gesloten. Daarin lag wellicht voor haar de verleiding opgeslagen zelf het dichterschap aan te gaan. Haar eigen dichterschap heeft niet de aandacht gekregen die ze ermee hoopte te bereiken. Ze schreef een viertal bundels: Wadlopen (1983), Morgenstern (1990), Wonen in het avondland (1998) en Steentijd in mei (2004). 

Veel sterker was Reitsma als essayist. In haar omvangrijke studie Een naam en ster als boegbeeld. De poëzie van Ida Gerhardt in symbolistisch perspectief (1998) getuigt ze van haar grote bewondering voor Gerhardts poëzie. Ze probeerde in deze studie aannemelijk te maken dat Gerhardt paste in de symbolistische traditie. Voor haar gold dat een literaire traditie – in dit geval het Franse symbolisme –  een samenhangend systeem van filosofische, poëticale, inhoudelijke en stilistische normen en conventies vertegenwoordigt – hoewel ooit in een andere specifieke historische context ontstaan – gedurende langere tijd werkzaam blijft, ofwel soms hele generaties overspringend – hernieuwd innoverend aan het licht treedt. Reitsma zag in Gerhardts poëzie drie belangrijke kenmerken van het symbolisme terug: poëzie over poëzie, suggestie en metafysische gerichtheid. Voor haar zelf lag daarin het wezen en de betovering van poëzie.

Al eerder had Reitsma zich in haar studie In de taal verscholen (1983) verdiept in het werk van Gerhardt. Daarin liet ze aan de hand van talloze gedichten zien dat woorden met hun verwijzende activiteit in staat zijn fragmenten van de werkelijkheid aanwezig te stellen in de menselijke geest. Tussen taal en werkelijkheid bemiddelt een visuele voorstelling, tevoorschijn geroepen op gezag van een talige symbolenreeks. Zo komt het symbolisatieproces tot stand. Reitsma was zich als dichter, als lezer en als schrijfcoach en oprichter van de Stichting Taal en Letteren er zeer van bewust, dat de betekenisvorming eerst en vooral tot stand komt via dit symbolisatieproces. Men moet beseffen dat poëzie op meerdere symbolisatieniveaus gelezen kan worden. Ze was ervan overtuigd dat woorden in zekere zin toveren. De belangrijkste magie van het woord is hierin gelegen dat een en dezelfde uiterlijke vorm gelijktijdig naar meerdere voorstellingen kan verwijzen. Elke dichter is erop uit nieuwe verbanden bloot te leggen. Daarvoor is verwondering noodzakelijk om aan de vertrouwdheid van het alledaagse iets nieuws te kunnen aflezen. Hij moet daarom voortdurend noodzakelijk de grenzen van de lexicale woordbetekenis verleggen. Nijhoff zei het al: het gedicht ligt niet slechts in het ‘gevoel maar de in de taal verscholen’. Reitsma was daarvan zeer doordrongen. 

In haar bundeling Het woord te vondeling. Een eeuw Nederlandse poëzie in zeventien portretten (2002) gaf ze daarvan opnieuw blijk. De bundel bevat essays over dichters uit de 20e eeuw, zoals Bloem, Marsman, Vasalis, Jellema en Gerlach die haar om uiteenlopende redenen na het hart lagen. Deze persoonlijke ontmoetingen geven een goede inkijk op welke manier Reitsma graag wilde dat poëzie gelezen moet worden. Juist omdat poëzie zo’n persoonlijke uiting is (W.H. Auden noemde het gedicht zelfs een pseudo-persoon) wilde zij ook graag weten hoe de persoon van de dichter en zijn werk zich verhielden tot de eigen tijd: ‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door de vraag hoe dichters hun plek opeisen in de lange golvende lijn van de traditie.’

Na dit korte parcours door haar essayistisch werk keer ik terug naar de 18e november 1981. In mijn herinnering stond daar een jonge vrouw die op een doorleefde manier het subtiele lijnenspel van gedachten en gevoelens in de poëzie van Gerhardt probeerde te traceren. Ze bracht daar ‘een wereld verscholen in taal’ over het voetlicht die ze op een vergelijkbare wijze in de nabije toekomst heel graag zelf zo zou willen beheersen. Haar kennis van Gerhardts poëzie, de intertekstuele verbanden en haar voordracht overtuigden mij. Ze wist op een bewonderenswaardige manier uitdrukking te geven aan de beweegredenen van de dichter die haar zo fascineerde. 

In Anneke Reitsma missen we een dichter, maar bovenal een essayist en docent die in meer dan veertig jaar een enthousiast en deskundig ambassadeur voor de Nederlandse poëzie is geweest. Voor haar was de taal een dichterlijk instrument om aan haar lezers, luisteraars en cursisten het mysterie te suggereren dat ‘het vers in het zonlicht kan bestaan.’

Dit stuk verscheen eerder in de Meander Nieuwsbrief.
Bron foto: Ons Erfdeel (1984)