Ik praot Wolluks, gij prôt Wolluks

Door Marc van Oostendorp

Ah, kwam ik maar uit Waalwijk, dan had ik nóg meer kunnen genieten van het fraaie koffietafelboek Wollukse praot. Over de Waalwijkse taal, samengesteld door de dialectgroep Wollukse praot en vorige week in Waalwijk gepresenteerd. Ik kan me niet herinneren ooit zo’n mooi dialectboek te hebben gezien.

Een beetje anders

Zoals veel dialectboeken die door plaatselijke groepen gemaakt worden, is Wollukse praot in essentie een woordenlijst. Maar daar houdt de vergelijking meteen op, want deze woordenlijst bevat daarnaast allerlei kadertjes met bijvoorbeeld uitdrukkingen met eieren (‘NIe kaokele, aaier legge!’, ‘Nie weete waor ge oew aai moet laote!’, ”Wè zodde gij groôte aaier legge as ge ’n gaanzekont had’), een recept voor gehaktballekes meej èèrpel en juin,een verhaol over valse taand, het zogeheten superdialect, dat door mensen wordt gesproken die vormen lijken die meer op dialect lijken dan het oorspronkelijke dialect (clubske in plaats van clubke), een liedje over een mùlderke (meikever: mùlderke, mùlderke, teld oew geld en gòt dan nog ies vliége), en veel, veel meer. Dat alles liefdevol vormgegeven en geïllustreerd.

Het boek heeft bovendien achterin een korte maar serieuze beschrijving van de grammaticale eigenaardigheden van het Waalwijks. Het interessantst vind ik de klinkerverkorting. Bijna alle Brabantse dialecten maken lange klinkers soms kort. Ze doen dat allemaal net een beetje anders.

In het Waalwijks gebeurt dat bijvoorbeeld in werkwoorden voor een van de uitgangen: –t, -de of –te: je zegt ‘ik speul’, maar ‘ik spulde’ en ‘ik hoop’, maar ‘gij hopt’.

Het idee is: als er na een lange klinker nog twee medeklinkers komen, wordt het geheel te lang. Om dat op te lossen wordt de klinker verkort.

Mallemeule

Misschien was de oorsprong van dat idee uitspraakgemak was – het is een heel klein beetje gemakkelijker om hopt te zeggen dan hoopt en als zoiets een heel klein beetje gemakkelijker is, dan komt ooit een kind op een schoolplein ermee, en als dat een populair kind is, nemen andere kinderen dat bewust of onbewust over zegt honderd jaar later heel Wolluk ‘gij hopt’.

Dat systeem is in de loop van de tijd grammaticaal geworden. Het uitspraakgemak introduceerde de verkorting in het systeem, maar dat systeem ging vervolgens zijn eigen gang. Zo wordt een klinker ook verkort als de werkwoordsstam al een lange klinker heeft, en dus zeg je ‘ik fluit’ tegenover ‘hij flùt’, ‘ik praot’ tegenover ‘gij pròt’, ook al eindigen al die woorden op een enkele t. Zoals sommige woorden uitzonderingen zijn: je zegt ‘gij gift’ maar ook ‘gij leeft’. Ook gebeurt het sowieso niet in de verleden tijd, al zou het daar natuurlijk even gemakkelijk zijn: je zegt ‘gij kwaamt’ en niet ‘gij kwamt’.

Met andere woorden: iets wat ooit puur mechanisch begonnen is, in de loop der tijd tot een systeem geworden, een regel die je moet leren met uitzonderingen die je ook weer moet leren.

Dat systeem is nu weer enigszins in verval omdat het dialect voor veel jongeren zeker niet meer de enige taal is: dan verdwijnen bijvoorbeeld de uitzonderingen en zeggen mensen als nog gij lift’ – een superdialectisme.

En zo is Wollukse praot een schatkamer voor iedereen die wat dan ook heeft met het dialect: of het nu nostalgie is naar de mallemeule op de Wollukse kermis van 1962 of fascinatie voor klinkers.

Illustratie: Raadhuis van Waalwijk, bron: Wikimedia