Hoe meer je erover nadenkt, des te meer raak je in de war

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands beschikt over een interessante manier om twee grootheden met elkaar te vergelijken, een constructie die je vormt met hoe en/of des te:

  • Hoe mooier, hoe aantrekkelijker
  • Hoe mooier, des te aantrekkelijker
  • Des te mooier, hoe aantrekkelijker
  • Des te mooier, des te aantrekkelijker

Hoe… hoe wordt hierbij het meest gebruikt, en het vereist ook niet een heel fijn taalgevoel om te beseffen dat des te de formule wat formeler maakt, en dat áls je hem gebruikt, dat vooral in het tweede lid gebeurt. Ik laat in het vervolg de mogelijkheid dat je des te in het eerste lid zet verder buiten beschouwing.

Internetfora

Er is enige discussie over wat er gebeurt als je hele zinnen in de vergelijking betrekt, en dan met name wat er moet gebeuren met het tweede lid: heeft die de volgorde van de hoofdzin of van te bijzin?

  • Hoe meer je erover nadenkt, hoe meer raak je in de war.
  • Hoe meer je erover nadenkt, hoe meer je in de war raakt.
  • Hoe meer je erover nadenkt, des te meer raak je in de war.
  • Hoe meer je erover nadenkt, des te meer je in de war raakt.

Hoe meer je in de war raakt is hier de bijzinsvolgorde (‘je zegt dat je in de war raakt’, hoe meer raak je in de war de hoofdzinsvolgorde (‘steeds meer raak je in de war’), met het werkwoord op de tweede plaats in de zin.

De jonge onderzoeker Brenda Assendelft doet nu in het nieuwe nummer van Nederlandse Taalkunde iets wat voor de hand lijkt te liggen, maar desalniettemin niemand heeft gedaan: tellen. Hoe vaak worden de verschillende constructies gebruikt in een representatieve verzameling teksten (in dit geval genomen uit Vlaamse en Nederlandse kranten en uit Vlaamse en Nederlandse internetfora).

Het kan allebei

Nu levert dat heel precieze tellen een aantal zaken op die je toch al vermoedde, zoals dat hoe… hoe inderdaad de gebruikelijkste vorm is. Ook blijkt in die constructie de bijzinsvolgorde vrij absoluut dominant. Van de 3555 gevallen met hoe… hoe bleken er in totaal slechts 8 een hoofdzinvolgorde te hebben, dat is een vijfde procent. Van Assendelft geeft twee voorbeelden die ik allebei trouwens niet eens zo raar vind klinken (‘Hoe hoger je komt in het hotel, hoe armoediger en kleurrijker worden de gasten’, ‘Hoe groter ze worden hoe logger zien ze er dan uit’).

Bij hoe… des te (of des te… des te) verandert er iets. Ineens ligt de verhouding vrijwel precies 50%-50%. In Nederlandse kranten is er een lichte voorkeur voor de hoofdzinsvolgorde, maar in Vlaamse kranten ligt die verhouding andersom, en dan zijn Nederlandse discussiefora weer meer zoals Vlaamse kranten én andersom. Dus de landsgrens lijkt hier nauwelijks betekenis te hebben.

Het kan, wat de taalgebruiker betreft, dus inderdaad allebei.

Antwoord

Heel spectaculair zijn Assendelfts resultaten dus misschien niet, want dit is ook precies wat de meeste literatuur zegt. (Het grootste verschil is misschien dat de literatuur meestal vrijheid toestaat in hoe…hoe; Assendelft zegt terecht dat het misschien beter is om er dan wel bij te zeggen dat de bijzinsvolgorde in de praktijk vrijwel altijd gekozen wordt.

Interessanter is eigenlijk de vraag hoe dit alles eigenlijk kan bestaan. Hoe is het mogelijk dat je soms de keuze hebt tussen twee vormen A en B, en vrijwel iedereen vrijwel altijd één vorm A kiest, terwijl je toch het idee hebt dat vorm B ook best kan? En hoe is het mogelijk dat in een vrijwel identieke constructie de verdeling wel ineens 50%-%50% wordt?

Het zijn interessante vragen. Ik geloof niet dat iemand er een antwoord op heeft.

Foto: muurgedicht van C.C.S. Krone nabij het Centraal Station van Utrecht. Bron: Vysotsky, Wikimedia