Elsschots ongeduld

Door Freek Van de Velde

Op 19 december 1933 legde Willem Elsschot de laatste hand aan zijn roman Tsjip. Hij was zelf erg tevreden met het resultaat, en stuurde meteen een brief aan Jan Greshoff. Die had het boek willen hebben voor Groot Nederland, maar Elsschot had het aan Forum beloofd om Menno ter Braak een plezier te doen. Elsschot hield zijn woord en stuurde het boek inderdaad naar Forum. Ik weet niet precies wanneer, maar het moet dus ergens eind 1933 zijn. Iets meer dan anderhalve maand later, op 15 februari 1934 vindt hij dat het lang genoeg geduurd heeft, en hij informeert bij de redactie hoe het zit:

Heel zuiver

Ik vind het een verdomd eigenaardige manier van doen. Ik begrijp dat mijn tekst van Herodes naar Pilatus moet, maar het boek is toch op een paar uur uitgelezen en dan behoorde dat Concilie mij toch even te laten weten welke beslissing gevallen is. Niet dat die beslissing zelf mij zoo interesseert, maar ik sta hier als een snotjongen. Die heeren behoorden toch een beetje égards te hebben, zoo niet voor den schrijver als zodanig, dan toch voor zijn twee en vijftig jaar.

Dat heeft effect, want diezelfde dag krijgt hij bericht van Marnix Gijsen, lid
van de ‘Vlaamsche Verdieping’ van de tijdschriftredactie : “Ik las Tsjip en haast mij U mijne gelukwenschen te zenden; ik vind het een heel goed, heel zuiver, een mooi boek.

Sneller

Wat mij zo treft in de gebeurtenissen is dat Elsschot het blijkbaar onredelijk vindt dat een tijdschrift anderhalve maand de tijd neemt om een toegezonden manuscript te beoordelen. Op wie wel eens een wetenschappelijk artikel naar een gezaghebbend tijdschrift gestuurd heeft, maakt die inschatting van Elsschot een verbazingwekkend ongeduldige indruk. Meestal is zo’n artikel een hele tijd weg, en twee maanden is wel zo’n beetje een minimumtermijn. En dat is dan nog voor een artikel. Voor een heel boek mag je toch wat extra tijd rekenen. Nu is het wel zo dat een literair boek, en dan zeker een niet al te lijvige novelle als Tsjip, wel sneller gelezen is als een taai artikel, maar toch… In die tijd had men in de Lage Landen geloof ik nog geen kopieerapparaten, dus als verschillende redactieleden het boek wilden lezen, moest het typoscript van hand tot hand doorgegeven worden, of voorgelezen worden.

Anderhalve maand. Kom daar maar eens om. Er wordt wel eens beweerd dat we in jachtige tijden leven en dat alles veel sneller gaat dan vroeger. In hun artikel ‘Quantitative analysis of culture using millions of digitized books’ (Science, 14 januari 2011; 331(6014): 176-182) beweren Jean-Baptiste Michel en collega’s dat culturele trends elkaar steeds sneller aflossen. Wie in de jaren 30 een brief wou posten naar een familielid in de V.S. of dat familielid wou gaan opzoeken, moest rekenen op een dagenlange overtocht per oceaanvarend schip. Er waren ook al wel vliegtuigen, maar de normale manier was: per boot. Maar er zijn dus blijkbaar ook dingen die veel trager geworden zijn. Bijvoorbeeld publieke renovatiewerken. Als je de gemiddelde Amsterdammer vraagt hoelang het Rijksmuseum dicht geweest is, dan moet die hoogbejaarde familieleden herinneringen laten ophalen. Veel van die dingen die nu trager gaan spelen zich af in de werkomgeving waar ik me nu bevind: een datum vinden voor een vergadering zodat alle betrokkenen aanwezig zijn, het inroosteren van een extra college, het laten terugbetalen van reisonkosten voor gastsprekers. Allemaal dingen die een eeuwigheid kunnen duren, en die vijftien jaar geleden sneller gingen. Het beoordelen van ingezonden manuscripten hoort daar ook toe, denk ik.