Waarheen met het onderwijs in de moedertaal?

(De dag na de presentatie van Curriculum.nu)

Door Marc van Oostendorp

Onderwijzen is als overgooien. Je kunt niet iets in je eentje overgooien; als ik een bal naar jou toe gooi, heet dat geen overgooien als jij niet klaar staat om die bal op te vangen. Zo is het ook met onderwijzen.

Er wordt wel gedacht dat dit een taak is die een docent heeft, en die deze docent wel of niet competent uitvoert, zonder dat je hoeft te letten op de leerlingen, die geacht worden ook in figuurlijke zin het lijdend voorwerp te zijn. Het is een beeld van de leerling als een leeg vat waar de docent zijn kennis in giet. Maar dat beeld klopt niet: bij succesvol zijn docent en leerling allebei even actief betrokken.

Het beeld van het overgooien komt uit het boek Gevormd of vervormd? Een pleidooi voor ander onderwijs van de Nijmeegse filosoof Jan Bransen. Ik las het omdat er zoals het er nu naar uitziet grote veranderingen aankomen in het onderwijs Nederlands, en wel op de drie niveaus die we hebben: primair, voortgezet en hoger onderwijs. Curriculum.nu uit zich over de eerste twee, en de meeste universitaire opleidingen zijn permanent bezig met verbeteringen van de laatste.

Werkzame leven

Bransen heeft ideeen over alle drie de niveaus. Hij maakt daarbij gebruik van een drietal algemene doelen voor het onderwijs die je vaker hoort in onderwijskundig Nederland en die wordt toegeschreven aan de onderwijskundige Gert Biesta: socialisatie (je leert goed functioneren in de groepen waar je toe behoort en de maatschappij, of wat Bransen noemt ‘je taalgemeenschap’), persoonsvorming (je leert je eigen mogelijkheden en voorkeuren kennen) en kwalificatie (je verwerft kennis die je geschikt maakt om bepaalde functies uit te oefenen).

Bransens idee is om die drie doelen in de tijd achter elkaar te zetten. Althans, hij geeft toe dat alle drie levenlang belangrijk zijn, maar in iedere fase is er een andere nadruk. Je begint – ruwweg in de periode van de basisschool – de zienswijzen en gewoonten van je taalgemeenschap over te nemen: zo noemen wij dit, dit zeggen we als we per ongeluk op iemands tenen gaan staan, zo schrijven we deze woorden. Je automatiseert al deze vaardigheden, zodat je er volledig op kunt vertrouwen en dat verleent je het zelfbewustzijn om in de samenleving te functioneren.

Gezel

In de tweede fase, als je eenmaal voldoende kunt vertrouwen op je functioneren in de samenleving, dus in de leeftijd die nu gereserveerd is voor de middelbare school, leer je een persoon te worden: je eigen keuzes te maken, te bepalen bij welke groepen je wel of niet behoort, bepalen wat je doel in het leven is. Je hoeft daarbij niet permanent op school te zitten in afwachting van het werkelijke leven dat ooit zou moeten beginnen, maar je gaat al snel slechts een paar dagen in de week naar school en de andere dagen neem je deel aan dat werkelijke (want werkzame) leven. Door die deelname aan het leven leer je jezelf beter kennen en dus ook beter begrijpen wat je nodig hebt en wat je graag wil leren.

Dit alles vloeit op zeker moment over in hogere vormen van onderwijs die je je hele leven kunt genieten: kwalificerend onderwijs, waarmee je jezelf geschikt maakt voor een bepaalde functie – een beroep of breder, een taak in de samenleving. Zulke ‘hoger’ onderwijs moet volgens Bransen altijd op persoonlijke maat gesneden zijn. De docent (‘gids’) is iemand in hetzelfde professionele gebied, de student (‘gezel’) begint met leren door vragen die hem uit de praktijk worden aangereikt. (De ouderwetse universiteit is volgens Bransen een goed model voor hoe dit werkt omdat docenten per definitie zelf bezig zijn met onderzoek terwijl ze studenten leren hoe onderzoek werkt.)

Fascinatie

Wat voor consequenties zou zoiets hebben voor taalonderwijs? Het primaire, socialiserende onderwijs is volgens Bransen vrijwel geheel taalonderwijs: hij definieert de gemeenschap waartoe je gaat behoren als je taalgemeenschap. Het is je belangrijkste taak om de taal van die gemeenschap te leren (en rekenen is voor hem ook een vorm van taal in onze cijfermatige wereld).

Over de tweede fase zegt hij niet veel. Ik vind het sowieso de fase in zijn structuur waarbij ik me het minst kan voorstellen. Leerlingen worden geacht heel autonoom te zijn en een vakkenpakket hoort daar niet bij, maar tegelijkertijd heeft Bransen het wel degelijk over een ‘wiskundeleraar’. Bovendien lijkt mij dat beeld van de autonome leerling wel een beetje naief. Er zijn genoeg – bijvoorbeeld commerciele – partijen actief die het beeld van wie we zijn of willen zijn de hele tijd proberen te beinvloeden. Hij geeft het voorbeeld van iemand die vurig enthousiasme heeft voor Real Madrid – en een docent die dit enthousiasme dan weet om te buigen tot belangstelling voor de werking van de internationale politiek. Maar hij gaat niet in op de werkelijkheid dat er allerlei manieren zijn waarop enthousiasme voor grote voetbalclubs wordt gestimuleerd die niet bestaan voor de internationale politiek.

Hoe dan ook, je doet wat je kunt, en natuurlijk zou ook dit persoonsvormende onderwijs voor een belangrijk deel taal- (en literatuur-)onderwijs kunnen zijn. Niet alleen is taal nog behalve een socialisernde factor, nog altijd de manier om je eigen persoonlijkheid uit te drukken, maar ook inzicht in de manier waarop taal werkt – in je hoofd, in interactie met andere mensen – kan een levenslange fascinatie zijn voor sommigen en een voorwaarde om zichzelf goed te begrijpen voor allen.

Periode

Dat laatste geldt natuurlijk nog sterker voor de literatuur: als er nu een plaats is waar je kunt experimenteren met alternatieve manieren van in het leven staan, is het de literatuur – als schrijver of als lezer. Zoals ook hier geldt dat in ieder geval sommige mensen gedreven kunnen worden door de belangrijke vraag wat verhalen of gedichten nu eigenlijk hun werk laat doen. Die laatsten komen dan volgens Bransen uiteindelijk op de universiteit terecht, en vinden daar als ‘gezel’ een ‘gids’.

Er is hier ook wel een probleem met Bransens aanpak. Zijn idee dat het in het onderwijs primair gaat om het onderwijs – om de situatie waarin docent en leerling verkeren, met elkaar, om het eeuwige pad waarop wij mensen met elkaar verkeren – wordt de inhoud uiteindelijk wel erg secundair. Je wil een taal leren, of alles weten over een bepaalde periode uit de geschiedenis, niet omdat dit je sociale leven vereenvoudigt of je persoonlijkheid bevestigt, en zelfs niet omdat dit je kwalificeert of omdat het leren van een taal zo prettig is maar wel degelijk omdat je nu eenmaal die taal wilt kennen of alles wil weten over die periode.

Jan Bransen. Gevormd of vervormd? Een pleidooi voor ander onderwijs. Leusden: ISVW Uitgers. Bestelinformatie bij de uitgever.