Uit kracht dan van de bevoegdheid

Door Ton van der Wouden

Promotieplechtigheid aan de UvA. Bron: Wikimedia

“Het is de doem van de taalkundige om voortdurend met zijn objekt van studie gekonfronteerd te worden”, aldus de laatste stelling, behorende bij het proefschrift van Jack Hoeksema (Groningen 1984). Dat werd maar weer eens bewezen toen ik nietsvermoedend een Leidse promotie bijwoonde. De kandidaat had zich met succes door het rituele spel van vraag en antwoord geworsteld, de commissie had zich teruggetrokken voor beraad en had haar (commissie is toch vrouwelijk?) plaats weer ingenomen achter de tafel, en de promotor kreeg het woord voor de rite de passage van de doctor-wording. De uitgesproken formule culmineerde in de volgende slotzinnen:

Volgaarne aanvaard ik de taak, mij door de rector magnificus der universiteit opgedragen. [staande] Uit kracht dan van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend, volgens het besluit van de commissie, hier tegenwoordig, verklaar ik bij dezen u, [naam voluit] te bevorderen tot doctor. Ten bewijze hiervan zal u het diploma, door rector, secretaris en promotor ondertekend en met het grootzegel der universiteit bevestigd, ter hand worden gesteld.

Al tientallen malen had ik die formule gehoord, maar voor de eerste keer realiseerde ik me dat er iets bijzonders aan de hand is met die tweede zin. Wat doet dat dan midden in de complexe voorzetselgroep uit kracht van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend? Dit voorbeeld staat niet alleen, andere voorbeelden van dit soort voegwoordelijke bijwoorden of partikels in complexe voorzetselgroepen met een voorzetseluitdrukking als hoofd zijn gemakkelijk te vinden: 

  • Omdat theorie en (politieke) voornemens toch iets anders zijn dan de vaak weerbarstige praktijk van overheidsorganisaties, is het afgelopen jaar bij het Directoraat-Generaal Veiligheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een pilot ‘risicomanagement en managementstatement’ uitgevoerd. Naar aanleiding namelijk van het, door het kabinet met instemming ontvangen, IBO-rapport (interdepartementale beleidsonderzoeken) is besloten tot het op alle departementen invoeren van meer management control. (De Accountant 2007)
  • We hopen en verwachten dat A.G.F. van Holk dit jaar een ander onderwerp voor zijn rekening zal nemen. In verband nu met het bovenstaande zullen wij mededelingen betreffende onderwerpen in behandeling biezonder op prijs stellen. (De Nieuwe Taalgids 52, 1959
  • Doch vermits het boek bestemd is als handleiding voor leerlingen, zagen wij gaarne de natuurlijke onderwijsmethode meer gehoorzaamd: steeds beginnen met de feiten voorop te stellen en daar de conclusiën uit te trekken, in stee van de feiten in den gang der verhandeling te schuiven. Die verbetering zou ook op vele bladzijden meer helderheid hebben bijgebracht, want gelijk het boek daar nu ligt, mist het dikwijls voor beginnelingen de noodige klaarheid. Met het oog nu op de behandelde stof zagen wij het plan van het werk liever breeder opgezet. (Dietsche Warande en Belfort 1905)
  • Deze vraag voert ons naar een probleem van wijden omvang niet alleen wat den tijd, maar ook wat de litteratuur betreft. Dank zij echter het onderzoek van Hellinga is er voor de oplossing van deze kwestie in menig opzicht reeds winst verkregen. (WJH Caron, Klank en teken bij Erasmus en onze oudste grammatici, Diss VU Amsterdam 1947, p. 84)

Hoe moeten we deze zinnen duiden? In 2015 heb ik een stuk gepubliceerd over partikels op de tweede plaats in hoofdzinnen, zoals de volgende: 

  • Zij dan riepen opnieuw en zeiden: Niet Hem, maar Barabbas! Barabbas nu was een rover. (Joh. 18: 40)

Omdat mij uit de literatuur geen naam bekend was voor deze constructie, heb ik haar indertijd de Barabbas-constructie gedoopt. We vinden de constructie ook met andere partikels, en niet alleen ook in andere bijbelpassages maar ook in andere teksten, zij het dat het vrijwel steeds om nogal formele schrijftaal gaat:

  • In den beginne schiep God den hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren. (Gen. 1, 1, Statenvertaling 1750)
  • Toen de betaling hiervan echter volstrekt onmogelijk bleek, had Lohman aan de kleine boertjes van de Parakreek toegestaan om de personeele belasting welke zij, volgens de verordening van 9 Februari 1886 voor den 1sten April moesten betalen, eerst over zes maanden te voldoen. Zes maanden later echter waren de boertjes nog even arm en, daar er niets nieuws onder de zon is, begonnen zij, ook zonder Gandhi, een belastingstaking. (Anton de Kom, Wij slaven van Suriname)
  • Delphine Boël kan nog lang moeten wachten alvorens er officieel antwoord komt op de prangende vraag wie haar biologische vader is. Koning Albert namelijk heeft vorig jaar beroep aangetekend tegen een vonnis waarin werd uitgesproken dat Jacques Boël, lange tijd de wettige vader van Delphine, inderdaad niet haar biologische vader was. (royalblog.com)

In het genoemde stuk betoog ik dat de functie van de Barabbas-constructie ligt in het markeren van een onverwacht topic: na de openingszin van het Genesis-fragment, verwacht je dat de tekst verder gaat met een nadere mededeling over In den beginne, of over God, of over den hemel en de aarde. De aarde is normaal gesproken niet beschikbaar als topic, het partikeltje nu waarschuwt de lezer of hoorder dat de tekst een andere kant opgaat. Daarom ook komen Barabbas-zinnen nooit voor aan het begin van een tekst of een alinea.

In dat eerdere stuk betoog ik ook dat nu in mijn eerste voorbeeld niet bij Barabbas hoort, met andere woorden, dat er in Barabbas-zinnen twee zinsdelen vóór de persoonsvorm staan. Dat betekent dat het echte V3-zinnen zijn. Dat is zeker het vermelden waard: normale Nederlandse hoofdzinnen immers zijn V2, die hebben precies één zinsdeel voor de persoonsvorm (Paardekooper [z.j.], Haeseryn et al. 1995, Taalportaal.org):

  • Ik ben even de vuilniszak wegbrengen 
  • Morgen ben ik de bruid
  • Zelfs met een rolstoel kun je meedoen
  • Volgend jaar om deze tijd wonen we in ons eigen huis

Mijn conclusie was dan ook dat de Barabbas-constructie een echte constructie is in termen van de constructiegrammatica (Goldberg 1995, Sag et al. 2003: hoofdstuk 16): een vaste vorm (V3 met een partikel op de tweede plek) en een vaste functie (het markeren van een onverwacht topic). 

De zin uit het promotiereglement evenwel laat zien dat ik een generalisatie gemist heb. Ook in die zin immers wordt er een onverwacht topic gemarkeerd, ook hier kan de zin met de constructie niet aan het begin van een uiting of alinea staan. Het lijkt er dus op dat het niet zozeer om een V3-constructie met een partikel gaat, maar veeleer om een partikel op de tweede plaats in de zin van Wackernagel (1892). Indo-Europese talen, waaronder het klassieke Grieks, hadden partikels (en andere fonologisch lichte elementen) die zich bij voorkeur op de tweede plaats, na de eerste syntactische frase of het eerste beklemtoonde woord bevinden. De Barabbas-passage bijvoorbeeld bevat in het Griekse origineel maar liefst twee van die partikels (die ik hier niet zal proberen te vertalen, cf. Denniston 1975), namelijk oen (‘oυν) en de (δέ):

  • ekraugasan oen palin legontes me touton alla ton Barabban en de o Barabbas lestes
    zij-riepen PART weer zeggende niet deze maar de Barabbas maar PART de Barabbas rover
    ‘En weer schreeuwden zij, zeggende, niet deze, maar Barabbas. Barabbas echter was een rover’

Je gaat het pas zien als je het doorhebt, maar als je het eenmaal doorhebt, dan zie je dat diezelfde partikels ook in Nederlandse bijzinnen kunnen voorkomen:

Op grond van de hierboven gegeven voorbeelden kunnen we moeilijk anders dan concluderen dan dat het (formele) Nederlands de mogelijkheid biedt, bepaalde partikels, meer speciaal voegwoordelijke bijwoorden, te gebruiken op de tweede plaats (een notie overigens die lastig precies te operationaliseren is, cf. Halpern & Zwicky 1996). De functie is steeds, het markeren van een onverwacht topic.

Als deze conclusie ook maar enigszins correct is, dan rijst natuurlijk de vraag, hoe in de grammatica moet worden verantwoord dat er tweede-plaatspartikels mogelijk zijn in het Nederlands (en in het Duits, en in klassieke talen zoals het Grieks). Voorlopig heb ik daar geen antwoord op. Maar dat het (formele) Nederlands tweede-plaatspartikels heeft, dat lijkt me na dit artikeltje een onomstotelijk feit, een feit dat vanaf nu in alle beschrijvingen van het Nederlands aan de orde zou moeten komen.

Met dank aan Ad Foolen en Marc van Oostendorp

Beknopte bibliografie

Denniston, J.D. (1975) The Greek particles. Oxford: The Clarendon Press.

Goldberg, A. E. (1995). Constructions. A Construction Grammar approach to argument structure. Chicago: University of Chicago Press.

Haeseryn W. et al. (1997). Algemene Nederlandse Spraakkunst. Groningen/Leuven: Wolters Plantyn.

Halpern, A., & Zwicky, A. M. (1996). Approaching second: second position clitics and related phenomena. Stanford, CSLI.

Hoeksema, J. (1984). Categorial Morphology. Proefschrift Groningen.

Paardekooper, P.C. [z.j.]. Beknopte ABN-syntaksis. Uitgave in eigen beheer.

Sag, I. A., Wasow, T., & Bender, E. (2003). Syntactic theory: A formal introduction (2nd ed.). Stanford: CSLI.

Wackernagel, J. (1892). Über ein Gesetz der indogermanischen Wortstellung. Indogermanische Forschungen 1, 333–436.

Winsemius, P. (2004). Je gaat het pas zien als je het doorhebt. Over Cruijff en leiderschap. Amsterdam: Balans. 

T. van der Wouden. (2015). A marked construction to mark a marked phenomenon: how to shift topics in Dutch, or, the Barabbas construction. In: Sander Lestrade, Peter de Swart, and Lotte Hogeweg (eds.), Addenda: artikelen voor Ad Foolen, Radboud Universiteit Nijmegen, 539-572.