Stijl en werkelijkheid

Door Marc van Oostendorp

De stilistiek is het hart van de neerlandistiek. Ze combineert de drie traditionele subdisciplines taalkunde, letterkunde en taalbeheersing, ze beziet hoe vorm betekenis kan geven, ze gaat over de vraag hoe de stijl een mens kan maken en de wereld kan vormgeven.

Het is daarom opmerkelijk dat de stilistiek zo lang veronachtzaamd is, dat er decennia zijn voorbijgegaan waarin het in de opleidingen niet of nauwelijks op het programma stond, dat de recente literatuur erover nog steeds zo gering in omvang is. Pas de laatste jaren is daar weer verandering in gekomen en nu is er een modern boek met een nieuwe visie op het fenomeen: Stijl, taal en tekst. Stilistiek op taalkundige basis van Ninke Stukker en Arie Verhagen.

In een lucide inleiding maken Stukker en Verhagen duidelijk dat er twee mogelijke visies zijn op de relatie tussen vorm en inhoud in het geval van taal en stijl. Je zegt dat ze volmaakt gescheiden zijn (dualisme) of je zegt dat ze één en hetzelfde zijn (monisme). Voor beide is iets te zeggen, maar beide zijn ook onhoudbaar.

Jongetje

Het dualisme ligt ten grondslag aan retorische adviezen sinds Aristoteles: je bedenkt eerst wat je gaat zeggen (de inhoud), en daarna hoe je dat gaat zeggen (de stijl). Maar dat dualisme veronderstelt dus dat er meer dan één hoe is voor wat je te zeggen hebt en dat de twee bijgevolg onderscheiden zijn. Je kunt een mededeling bijvoorbeeld in de bedrijvende of de lijdende vorm doen, en zegt dan hetzelfde:

  • De staatssecretaris hield het rapport verborgen voor de Tweede Kamer.
  • Het rapport werd door de staatssecretaris voor de Tweede Kamer verborgen gehouden.

Je kunt, zegt de dualist, misschien zeggen dat de tweede zin in een omslachtiger stijl geschreven is dan de eerste, maar niet dat hij iets anders zegt.

Het probleem is dan dat een schrijver door een passieve constructie te gebruiken wel degelijk iets kan uitdrukken. Stukker en Verhagen geven een voorbeeld uit Kinderjaren van Jona Oberski. In een kampscene die geschreven is uit het perspectief van een jongetje wordt de moeder van dat jongetje beschreven in passieve zinnen. Daardoor, zeggen Stukker en Verhagen terecht, wordt duidelijk gemaakt dat het jongetje zijn moeder niet meer herkent. Wanneer de passage in actieve stijl geschreven was, had je dat beeld niet gekregen – en dus was de inhoud van die passage dan anders geweest.

Begrippenpaar

Het dualisme verwerpen de auteurs dus, maar het monisme is ook te naïef. Wanneer we zeggen dat een tekst met een andere stijl per definitie een andere inhoud heeft, hoeven we het eigenlijk niet meer over stijl te hebben. Twee teksten die verschillen in stijl verschillen in die visie immers ook in inhoud. “Die implicatie” schrijven Stukker en Verhagen, “is echter regelrecht in tegenspraak met de intuïtie dat een taalgebruiker op zijn minst in heel veel situaties de keus heeft uit verschillende varianten, dat hij ook een andere formulering had kunnen kiezen”.

Ze proberen het probleem op te lossen door aan te nemen dat er twee soorten betekenis zijn; stijl gaat alleen over een van de twee. Aan de ene kant is er een bepaald voorwerp of een bepaalde situatie (of een bepaalde kwaliteit, enz.) waarover men het heeft; aan de andere kant beschouwt men dat voorwerp (enz.) altijd vanuit een bepaalde invalshoek. Dit is al een oud idee in de taalfilosofie; sinds Frege (1892) gebruikt men hiervoor het begrippenpaar Sinn en Bedeutung (of in het Engels sense en reference).

Variëren

Stukker en Verhagen geven het volgende voorbeeld aan de cognitieve taalkunde ontleende voorbeeld:

  • de lichtpuntjes daar in de lucht
  • dat groepje sterren
  • dat sterrenbeeld

Op het ene niveau hebben alle drie deze uitdrukkingen dezelfde betekenis: ze verwijzen (mogelijk) naar hetzelfde. Maar het feit dat ze dat ieder op een eigen manier doen is ook niet betekenisloos. Met de eerste uitdrukking wordt de meervoudigheid van de sterren uitgedrukt, terwijl de andere twee de eenheid benadrukken. De derde vorm geeft bovendien nog een (cultureel bepaalde) interpretatie.

Die laatste betekenislaag noemen zij in hun cognitief-taalkundige jargon de construal (Frege zou Sinn hebben gezegd); het is die construal die ze vervolgens gelijkstellen met stijl. Door de stijl te variëren kun je dus niet de betekenis veranderen, maar wel die construal/Sinn.

Verengen

Dit is natuurlijk nogal een verenging van wat er normaliter allemaal onder stijl wordt verstaan. Op verschillende plaatsen in het boek worden dan ook allerlei andere vormen van stijl uitgesloten, zoals ritme (pure vorm zonder construal, volgens Stukker en Verhagen), de persoonlijke stijleigenaardigheden van een auteur, sociolinguïstische variatie, metaforen, enzovoort.

Het is niet helemaal duidelijk wat deze verregaande inperking van het begrip stijl verantwoordt. De veel ambitieuzere Stilistische grammatica van het moderne Nederlandsch (1937) van Overdiep noemen Stukker en Verhagen ‘grenzenloos’ en daar zit wat in. Bovendien is het een goede praktijk in de wetenschap om het object van studie op een bepaalde manier te preciseren omdat je niet alles tegelijk kunt bestuderen. Maar wat Stukker en Verhagen doen is wel een beetje extreem, zeker voor een boek dat de stilistiek zo nadruk in het centrum van de neerlandistiek wil plaatsen. Je kunt een vak nu ook weer niet verenigen door het extreem te verengen.

Effect

Ik zou bijvoorbeeld zeggen dat een persoonlijke stijl, inclusief persoonlijke eigenaardigheden, heel moeilijk te scheiden zijn van de stijl van een specifiek werk. De stilistische eigenaardigheden van Reve, dienen die nu om een andere construal te geven van de werkelijkheid? Je kunt ze bijvoorbeeld wel uiten als een poging om je neurotisch vast te klampen aan de normaliteit of, in het archaïsme, aan vroeger, en in die zin zet de stijl wel degelijk de toon. Toch past het niet in de definitie van Stukker en Verhagen.

Het resultaat van een en ander is bovendien dat we een beeld van (literaire) stijl krijgen die een verfijning is van het close reading, al noemen de schrijvers dat net zo min als de Frege, vermoedelijk omdat zij uitsluitend werken ‘op taalkundige basis’. Hun analyses zijn misschien zelfs nuttiger dan van de meeste close readers omdat ze systematischer zijn – het boek bevat een checklist de de lezer zelf kan gebruiken. Maar het heeft ook dezelfde beperkingen doordat het bijvoorbeeld per definitie niets kan zeggen over het esthetische effect van een tekst.

Triviaal

Een groter probleem vind ik dat de basis voor het onderscheid tussen betekenis en construal nogal wankel is. Frege had zelf ook een voorbeeld uit de sterrenkunde:

  • de morgenster is de morgenster
  • de morgenster is de avondster

De eerste zin is triviaal waar (omdat a=a altijd waar is), maar de tweede is ook waar, maar niet triviaal. Je moet daarvoor weten dat morgenster en avondster beide verwijzen naar de planeet Venus. De Sinn van die woorden is echter verschillend, volgens Frege: de eerste betekent zoiets als ‘de sterachtige verschijning die in de morgen te zien is’ en de tweede ‘de sterachtige verschijning die in de avond te zien is’. Je moet maar net weten dat deze in de fysica hetzelfde bleken te zijn.

Ik neem aan dat het verschil tussen morgenster en avondster in de theorie van Stukker en Verhagen een verschillende construal zijn. Dat impliceert dan echter dat verandering van stijl een mededeling triviaal of diepzinnig kan maken. En het is me niet duidelijk of dat nu een gewenst resultaat is.

Tafel

In het algemeen vind ik het jammer dat er niet wat meer aansluiting is gezocht bij de lange taalfilosofische én de letterkundige traditie en alleen de toch wat beperkte ‘cognitieve taalkunde’ wordt gebruikt . Vooral omdat daarin – in ieder geval in de uitleg van Stukker en Verhagen – niet duidelijk wordt gemaakt wat er nu precies bedoeld wordt met de centrale begrippen van de analyse.

Wat is precies de betekenis van een uiting zonder construal? Stukker en Verhagen definiëren het als ‘een of ander extern object: een voorwerp of een situatie die zich voordoet in de werkelijkheid, of een conceptueel idee waarover de gesprekspartners van gedachten wisselen’.

Dat klinkt mogelijk niet onlogisch, maar het wordt problematisch als je beseft dat het de bedoeling is om niet alleen zogeheten ‘zakelijke’ teksten te analyseren, maar ook fictie. In fictie is natuurlijk geen sprake van ‘een of ander extern object’ dat zich ‘voordoet in de werkelijkheid’. Of moeten we zeggen dat we het hier alleen hebben over conceptuele ideeën? Maar hoe zijn zulke conceptuele ideeën (zijn er ook niet-conceptuele ideeën?) te onderscheiden van construal? Bestaan ze eigenlijk wel zonder construal?

Nog even los van de vraag of taal uberhaupt in staat is om objecten in de werkelijkheid te benoemen: is een ‘tafel’ een object in ‘de werkelijkheid’ of vinden we daar alleen quarks en dat soort dingen en is ‘tafel’ een interpretatie van een bepaalde configuratie met een bepaalde functie, dus een construal zoals sterrenbeeld dat is? En zijn quarks dan wel zo reëel of ook eigenlijk alleen interpretaties van bepaalde metingen? Het is kortom helemaal niet zo duidelijk dat wij de werkelijkheid wel rechtstreeks kunnen vatten.

Samenhang

Misschien moeten we dan voor nonfictie ook onze toevlucht nemen tot al dan niet conceptuele ideeën, maar daarvoor geldt misschien nog wel meer dat het heel moeilijk is om in te zien hoe ze zijn af te bakenen van construals. Zijn piekeren en prakkizeren verschillende ideeën? Of verschillende construals van hetzelfde idee?

Het is, met andere woorden, nog helemaal niet zo duidelijk hoe die twee lagen van betekenis nu eigenlijk precies in elkaar zitten. Daarmee wordt in mijn ogen de basis van de theorie wel wat wankel. Dat was niet nodig geweest omdat over deze kwesties, zij het buiten de ‘cognitieve taalkunde’ breed is nagedacht.

Wanneer je bereid bent hierover heen te stappen en aan te nemen dat er inderdaad een bepaald aspect van betekenis is dat op een specifieke, ‘stilistische’, manier kan worden uitgedrukt in taal, heeft Stijl, taal en tekst vervolgens veel te bieden: analyses van toespraken van onder andere Wilders en Vogelaar, en van proza van uiteenlopende schrijvers als Arends, Biesheuvel, Reve en Voskuil. Veel van die analyses zijn ook al elders gepresenteerd, maar het is goed en interessant om ze hier in onderlinge samenhang te zien.

Ninke Stukker en Arie Verhagen. Stijl, taal en tekst. Leiden: LUP, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.