Kennis van woordgeslacht: balancerend tussen taalnorm en taalgevoel

Door Kristel Doreleijers

Vrijdag 25 oktober 2019 stond ik met mijn interactieve onderzoekslab ‘Changing gender’ op het DRONGO talenfestival aan de Radboud Universiteit. In mijn lab konden bezoekers meedoen aan een digitale test over woordgeslacht. Het onderzoekslab en de test zijn onderdeel van mijn promotieonderzoek naar variatie en verandering in geslachtsmarkering in het Nederlands en Nederlandse (Brabantse) dialecten, dat wordt gesubsidieerd door het NWO-programma Promoties in de Geesteswetenschappen 2019.

Inhoud van de test

In de woordgeslachttest gaat het om zogenaamd pronominaal woordgeslacht, het gebruik van verwijswoorden (persoonlijke voornaamwoorden) hij, zij en het om terug te verwijzen naar een eerder zelfstandig naamwoord in de discourse. De test bevat twintig zinsparen waarbij telkens in de tweede zin het verwijswoord is weggelaten. Deelnemers moeten het juiste verwijswoord kiezen zodat beide zinnen een grammaticaal logisch geheel vormen. Bijvoorbeeld: ‘Als het regent draag ik een hoed. […] hangt nu aan de kapstok.’ Daarnaast zijn er twee bonusvragen met nog eens tien zinsparen. Elk zinspaar bevat twee nagenoeg identieke zinnen met slechts één afwijking die is gerelateerd aan woordgeslacht. In de bonusvragen gaat het niet om pronominaal geslacht maar om andere geslachtsmarkeringen, waaronder adnominaal geslacht (‘Kan je het/de raam opendoen?’), flexie op adjectieven (‘Op de hoek van de straat zit een Surinaamse/Surinaams winkeltje’) en betrekkelijke voornaamwoorden (‘Ik ken het meisje die/dat daar woont’). Deelnemers kunnen bij de bonusvragen de varianten selecteren die ze zelf (zouden) kunnen zeggen, per zinspaar mogen dat ook beide varianten zijn. Alleen de eerste twintig vragen over pronominaal geslacht tellen mee voor de testscore. 

Woordgeslacht in het woordenboek

De score op de test is gebaseerd op informatie over woordgeslacht in het woordenboek Van Dale. Elk zelfstandig naamwoord in Van Dale krijgt het label m. (mannelijk), v. (vrouwelijk), o. (onzijdig) of v/m (m/v) voor woorden die zowel met mannelijk als vrouwelijk kunnen worden aangeduid (zogenaamde ‘hermafrodieten’). Woorden uit de laatste categorie zijn niet opgenomen in de test. Deelnemers aan de test worden beoordeeld op het aantal ‘goede’ antwoorden dat zij geven, dat wil zeggen het aantal keer dat zij (volgens de norm in het woordenboek) naar een mannelijk woord met ‘hij’, naar een vrouwelijk woord met ‘zij’ en naar een onzijdig woord met ‘het’ verwijzen. Daarmee is de test gebaseerd op het grammaticale systeem voor woordgeslacht; op de congruentie tussen het lexicale geslacht van een zelfstandig naamwoord en het verwijswoord. 

Taalnorm en taalgevoel

De Quest-test berekent dus iemands kennis van woordgeslacht aan de hand van een taalnorm. In zekere zin is dit ironisch. Ben ik als onderzoekster echt geïnteresseerd in het aantal mensen dat de regels voor grammaticaal woordgeslacht volgens Van Dale kent en toepast? Niet echt natuurlijk! Veel interessanter is het om te zien welke variatie ik ga aantreffen in de antwoorden. Ik wil deelnemers aan de test daarbij een belangrijke boodschap meegeven, namelijk dat hun score is gebaseerd op één specifieke taalnorm. Dat is slechts een norm die lang niet altijd overeenstemt met hun persoonlijke taalgevoel. Er is géén een-op-eenrelatie tussen taalnorm en taalgevoel, en een schending van de taalnorm is óók geen kritiek op taalgevoel! En dan is er nog de taalwerkelijkheid, waarin schendingen van de norm vaak voorkomen, denk aan het aantal mensen dat ‘een meisje die’ in plaats van ‘een meisje dat’ zegt. Hebben al die mensen geen goed taalgevoel? Dacht het niet!(zie voor eerder werk over de drie T’s – taalnorm, taalgevoel, taalwerkelijkheid – bijvoorbeeld publicaties van Peter-Arno Coppen 2011 en Jimmy van Rijt en Astrid Wijnands 2017)

Goed of fout?

In het onderzoekslab en in de online toelichtingen bij de test wil ik deelnemers laten zien hoe je als onderzoeker naar variatie in woordgeslachtmarkering kijkt. Als onderzoeker ben je niet zozeer geïnteresseerd in ‘goed’ of ‘fout’, maar observeer je wat er in de taal gebeurt, beschrijf je de variatiepatronen die je tegenkomt en probeer je die te verklaren. Tijdens mijn gesprekken met de vele enthousiaste DRONGO-bezoekers en in online reacties van deelnemers merk ik dat dit voor ontzettend veel taalgebruikers (nog steeds) een enorme eye-opener is. De norm is nog altijd leidend en heeft het meeste maatschappelijke prestige, wat voor veel deelnemers zorgt voor een angst om van die norm af te wijken. Ze schamen zich een beetje voor een lage testscore, omdat ze zich daarmee niet profileren als een keurige standaardtaalgebruiker. De boodschap dat een lage score niet uitmaakt wanneer je je taalgevoel volgt, zorgde bij sommige deelnemers dan ook voor opluchting (oh ik mag fouten maken!), maar bij andere deelnemers ook voor een zekere tegenstribbeling (op de norm word ik beoordeeld, dus fout is fout). Al met al leverde dit erg leuke discussies (en bewustere taalgebruikers) op!

Grammaticaal versus semantisch geslacht

Binnen de taalkunde is veranderend woordgeslacht natuurlijk al veel langer onderwerp van discussie. Veel onderzoekers gingen mij al voor in het bestuderen van variatie op dit gebied. We weten dan ook al geruime tijd dat het grammaticale systeem voor woordgeslacht onder druk staat en steeds meer aan het verschuiven is richting een semantisch systeem dat vooral is gebaseerd op betekenis. In eerder belangrijk onderzoekswerk (bijvoorbeeld dat van Jenny Audring en Margot Kraaikamp) was al aandacht voor tendensen van ‘masculinisering’ (dat naar oorspronkelijk vrouwelijke woorden steeds vaker wordt verwezen met ‘hij’ in plaats van ‘zij’) en ‘hersemantisering’ (dat grammaticale regels steeds meer plaatsmaken voor regels die zijn gericht op betekenis, bijvoorbeeld dat sprekers de neiging hebben om naar abstracte en niet-telbare woorden te verwijzen met ‘het’ en naar telbare woorden met ‘hij’). Ik ben benieuwd of ik dit soort patronen ook ga vinden in de resultaten op de Quest-test, maar vooralsnog lijkt het daar wel op. In het onderzoekslab kregen woorden als ‘koekje’, ‘paard’ en ‘vliegtuig’ vaak een mannelijke verwijzing, en abstracte woorden als ‘informatie’, ‘onzin’ en ‘hitte’ vaak een onzijdige. De tweede boodschap van het onderzoekslab en test is dan ook: er is niet één manier om woordgeslacht te benaderen en te analyseren, en de hier gehanteerde norm is slechts een norm die in de toekomst best eens kan gaan verschuiven! Voor de deelnemers die tot die tijd op de hoogte willen blijven van de huidige taalregels over woordgeslacht, is er een verwijzing naar de taaladviesdienst van Onze Taal

Help je mee verspreiden?

De Quest-test blijft ook na DRONGO nog beschikbaar via https://tests.quest.nl/taal/de-het-meisje-weet-jij-woorden-mannelijk-vrouwelijk-onzijdig-zijn

Referenties

Audring, J. (2006). Pronominal gender in Dutch. Journal of Germanic Linguistics, 18, 85-116.

Coppen, P.-A. (2011). Grammatica is een werkwoord. In: S. Vanhoorn & A. Mottart (Red.), Vijfentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands, 222–228. Gent: Academia Press. 

Coppen, P.-A. (2012, 21 januari). Linguïstisch miniatuurtje: Iedereen minacht de taal. Geraadpleegd via https://www.neerlandistiek.nl/2012/01/col-linguistisch-miniatuurtje-cli-iedereen-minacht-de-taal/ 

Kraaikamp, M. (2017). Semantic versus lexical gender: Synchronic and diachronic variation in Germanic gender agreement. Utrecht: LOT. 

Rijt, J. van & Wijnands, A. (2017). Taalnorm, taalwerkelijkheid en taalgevoel. De casus ‘hun hebben’. Levende Talen Magazine, 104(7), 4-8.