Iedere poging om eenvoudiger en natuurlijker te worden, wordt eerst bejegend met geschreeuw over gezochtheid

De Multatulileescursus (55)

Door Marc van Oostendorp

– Als je Een zaaier van Carel Vosmaer leest, begrijp je wel ongeveer wat Multatuli bedoelde als hij klaagde dat hij niet goed gelezen werd.

– Maar over Vosmaer had hij toch geen klachten? Hij…

– Nee, dat maakt het eigenlijk des te erger. Vosmaer was hem natuurlijk gunstig gezind…

– … hij was denk ik de eerste die een uitgebreidere studie aan zijn werk wijdde?

– … en bovendien was hij inmiddels een persoonlijke vriend. Maar het is allemaal van een zeer laag niveau. Hij komt nauwelijks aan een serieuze analyse toe omdat hij het zo druk heeft met omstandig verklaren hoe geweldig het allemaal is:

Met een enkel woord weet de dichter de fijnste snaren van de ziel te doen trillen, het geheele gemoed in beweging te brengen

– Ja, Een zaaier is meer een reclamebrochure. Zo worden ze tegenwoordig niet meer geschreven, een moderne criticus wil toch niet zo jubelen.

– De uitzondering in onze hedendaagse letteren is misschien Maarten ’t Hart?

– Ja, die wil ook wel eens jubelen. Zij het dan net weer niet over Multatuli.

– Ik ben het helemaal niet met jullie eens. Vosmaer is af en toe juist behoorlijk kritisch. En hij analyseert dat de stukken ervan af vliegen. Over zijn stijl:

’t Is anders als Sterne, als Börne, als Heine, als Montaigne. Soms, door de lichtheid en snelheid der bewegingen, het overspringen op onderwerpen, heeft het iets van een fransche causerie, maar ’t is een geharnaste causerie; ze doet wel eens denken aan Heine, dan weer door de in fijnheden spelemeiende bigarures aan Tristram Shandy; dan weer is er oostersche poëzie als die van ’t Hooglied of toorn als van Jesajas. Ja, van Jesajas en andere hebreeuwsche dichters; heeft iemand wel ooit opgemerkt welke verwantschap er bestaat tusschen de kleur, den zinbouw, de beelden der schoonste stukken uit de bijbelsche litteratuur en die van Multatuli?

– Vooral die laatste vergelijking is interessant. Is er inderdaad, ook in de 150 jaar sinds Vosmaer dit schreef, weleens uitgebreide studie gedaan van de verwantschap tussen de bijbelse taal en de stijl van Multatuli?

– Hij heeft in ieder geval zelf een aantal keren positieve dingen over de bijbel gezegd als literair werk. Een belangrijke opmerking lijkt me bijvoorbeeld deze:

In den bybel, die zoveel heerlyke modellen bevat van alle soorten van litteratuur – het geestige vooral niet uitgesloten – komt geen enkel gezegde voor dat door dubbelzinnigheid tot lachen opwekt. De oorzaak ligt in de oprechtheid waarmee daarin alles by den naam genoemd wordt. De naieve schryvers maakten van den byslaap zo min ’n mysterie als van eten en drinken.

– De bijbel als een vorm van ‘naieve’ literatuur die daarom aantrekkelijk is. Er wordt tenminste niet ‘mooi’ geschreven en de schrijver schrijft wat hij bedoelt. Die verwantschap gaat wel wat verder dan de ‘tale kanaäns’ waar sommige Nederlandse schrijvers mee worden geassocieerd….

– Zoals Maarten ’t Hart!

– Het gaat niet zozeer om het overnemen van woorden of uitdrukkingen uit de bijbel, maar zoals Vosmaer zegt, om ‘kleur, zinsbouw, beelden’.

– Of zoals hij over Vorstenschool zegt:

Zijne taal is natuurlijk, vrij, maar ze is daarbij artistiek en verheven; ze is hoog gestemd zonder bombast, ze heeft onderscheiding zonder gemaaktheid en is los zonder platheid.

– Dit is misschien wel een van de raadsels van Multatuli’s stijl: dat hij voor zijn tijd zo zeldzaam dicht bij de spreektaal stond, maar daarbij nooit tot geleuter verviel.

– Vosmaer wist zichzelf bovendien zelf ook elegant uit te drukken. Bijvoorbeeld waar hij de breedte van Multatuli’s palet beschreef:

Diezelfde hand, die soms schrijft zoo fijn en gevoelig als de teederste vrouwehand, zwaait hier vaster noch en met noch sterker en gelijkmatiger macht over de taal den geesel van satire en sarkasme.

– Ah, alweer dat wijzen op Multatuli’s vrouwelijke kant! Hadden we daar vorige week niet ook een voorbeeld van? Toen was het Multatuli zelf die erover begon.

– In een brief die hij niet lang schreef nadat Vosmaers brochure verschenen was.

– Aan het begin heeft hij bovendien een analyse van iets heel anders, namelijk van de vraag hoe het komt dat het werk van Multatuli zo lang genegeerd is. Het komt volgens hem doordat mensen het niet kunnen plaatsen:

De toewijding aan alles wat schoon, goed en waar is, wordt alleen goedgekeurd als het de dingen geldt die eerst als zoodanig zijn gequalificeerd door de lieden die zich het monopolie daarvan hebben veroverd.

– Met name die ‘bijbelse’ eenvoud werd door mensen niet herkend:

Maar iedere poging om eenvoudiger en natuurlijker te worden, wordt eerst bejegend met geschreeuw over gezochtheid. De jonge moeder van onzen tijd, vooral tien, twintig jaren geleden, die haar kind wiesch met koud water en ’t hoofd niet prangde in mutsen, die ’t zooveel mogelijk de leden bloot en vrij liet, kreeg den roep van wreedheid en geaffekteerdheid ten dank voor die weldaden

– Ook dat is mooi gezegd. Maar het verklaart niet waarom Multatuli’s werk met uitzondering van Max Havelaar eigenlijk nooit echt goed gelezen lijkt te zijn. Je kunt toch niet zeggen dat wij 150 jaar na dato nog steeds niet gewend zijn aan zijn vorm van natuurlijkheid?

– Nee, maar het blijft wel lastig om dat werk in een genre onder te brengen. Het is zo nadrukkelijk van alles door mekaar. Max Havelaar was dan tenminste nog een roman; en daar blijkt dan ook misschien wel 80% van alle Multatuli-literatuur over te gaan. Dat heeft niets met de inherente kwaliteit van dat boek in vergelijking met andere boeken van dezelfde schrijver te maken.

– Daar wijst Vosmaer ook op, al lijkt hij ook daar een oorzaak te zien in de stijl:

Hoe sterk reeds het woord van den Havelaar is, zijn letters zijn maar kinderhanepooten bij de ongehoord stoute en vaste karakters, bij het vlammenschrift van later. Reeds de Minnebrieven zijn veel sterker; de eerste Ideën evenzeer; de 3e en latere bundels, de Millioenen Studiën, – daarin is de denkerdichter in zijn volle kracht. En daarin is hij volkomen natuurlijk. De speelsche luim, de snijdende kontrasten der ironie, de teedere gevoeligheid, de mikroskopische analise, de snelle wendingen en overgangen, dat alles is de man zelf

– Ok, ik geef het toe, interessante observatie. Naarmate Multatuli’s stijl beter werd, werd hij minder te pruimen.

– Mooi, dan gaan we ons daar volgende week weer verder aan laven: de brieven uit 1875!