Hengelooo

Door Henk Wolf

Tijdens een college vergeleken studenten laatst hun uitspraak van een aantal klinkers. Een studente was aan haar uitspraak makkelijk te herkennen als Tukker en toen ze vertelde uit welke plaats ze kwam, riepen als op afspraak een paar anderen: “Hengelooo!”. Hoewel ze zelf geen Oost-Nederlanders waren, deden ze dat met de opvallende monoftongische uitspraak van de -oo-. De Twentse studente verzuchtte daarop: “Dat doen mensen nou altijd.”

Het is een bekend verschijnsel, met veel gezichten. Wie een Vlaamse tongval hoort, roept met een geknepen stemmetje ‘Allez!’. Wie iemand als Fries identificeert, roept: ‘Moai, no?’ met een overdreven stijgend toonverloop. De Surinamer moet een ‘Jawel, hoor!’ met overdreven bilabiale -w- en gerekte klinkers verdragen en wie Duits blijkt te zijn, ontkomt soms niet aan een bijtend uitgesproken ‘Jawohl!’.

Mea trouwens culpa, want ik doe er ook weleens aan mee, net als heel wat van mijn in taal geïnteresseerde en vaak uiterst meertalige vrienden en collega’s. Het is een wat kinderachtig automatisme.

Er zit vaak iets van verbazing in. Ik doe het nooit bij Friezen en al heel lang niet meer bij Groningers, want die kom ik elke dag tegen. Je moet je eventjes verbazen over iemands tongval en die verbazing wordt in zo’n flauw uitspraakje geuit.

Ik vraag me af of het verschijnsel een naam heeft en of het al eens ergens is beschreven. Wie het weet, mag het zeggen.