Genks en Jiddisj

Door Marc van Oostendorp

De afgelopen jaren heeft de zogeheten Citétaal een ongekende opgang gemaak, al is het alleen al in de media. Natuurlijk, overal gebruiken jongeren taalvormen die je straattaal kan noemen, maar in geen enkele stad is de cultus van de eigen straattaal zo groot als in Genk, in Belgisch Limburg.

Het opmerkelijke is dat die taalvorm zijn oorsprong heeft in alle steden in de mijnstreek, maar gaandeweg, en zeker het afgelopen decennium steeds meer geassocieerd is geraakt met Genk. Waarom dat zo is, is eigenlijk onduidelijk, maar inmiddels wordt zelfs vaker over ‘Genks’ gesproken dan over ‘citétaal’, schrijft Stefania Marzo in het nieuwe nummer van de International Journal of the Sociology of Language, dat helemaal aan de taal van mijnstreken over de hele wereld is gewijd.

Zich redden

De mijnen zijn onder andere interessant omdat er min of meer gesloten gemeenschappen werkten van mannen die weinig mogelijkheden hadden voor uitgebreid contact met de buitenwereld, maar die wel overal vandaan kwamen. In (Belgisch) Limburg is in de loop van de twintigste eeuw een betrekkelijk grote groep Italianen komen wonen. Zij vestigden in zogeheten cités, woongebieden die speciaal voor hen waren.

Van standaardtaal was op dat moment geen sprake. De Limburgers in België spraken niet of nauwelijks ABN, en de mijnwerkers spraken ook geen Italiaans, alleen hun locale dialecten die onderling sterk van elkaar verschilden. In zulke situaties ontstaat uiteindelijk altijd een gemeenschappelijke tussentaal, want mensen redden zich met elkaar.

Goossens

De afgelopen decennia zijn in eerste instantie vooral nakomelingen van die Italianen, die inmiddels helemaal Belg en Limburger geworden waren, zich gaan interesseren voor die taalkundige erfenis van hun voorouders. Ze zijn elementen ervan gaan integreren in hun taal, en die taal gaan gebruiken in, bijvoorbeeld, hiphop. Een voorbeeld is het nummer Wa make (Wat maak je? Een letterlijke vertaling van Che fai, hoe gaat het?) hierboven.

Maar die taal heeft vervolgens in de afgelopen jaren een steeds sterkere lokale basis gekregen, en wordt nu dus om de een of andere reden geassocieerd met Genk, en zelfs gezien als (modern) Genks dialect. (Het ironische is dat de grootste Limburgse dialectoloog ooit, Jan Goossens, in 1930 in Genk geboren is.)

Identiteit

Het doet een beetje denken aan het verhaal van het Joods Nederlands in Nederland: een dochter van een taal van migranten die hem lange tijd onderling bleven gebruiken omdat ze weinig contact hadden met de buren, het Jiddisch, en later een bron van woorden in het Nederlands dat nakomelingen die de nazaten van die migranten spraken (jatten, tof, goochem, je kent het rijtje wel). Tot het gaandeweg, na de Tweede Wereldoorlog langzaam geassocieerd raakte met één specifieke stad, het Amsterdams.

Het is ook niet lastig te begrijpen. Taalvormen worden altijd gebruikt om te laten zien tot welke groep je hoort en tot welke groep je wil horen. En zolang de stad waar je woont zo’n belangrijk onderdeel is van die identiteit, zal er daarom altijd een neiging zijn die vormen aan een bepaalde stad te verbinden. Zoals Amsterdam. Of Genk.