Gedicht: Marcel Brauns • Zij, die de natuur dichterlijk opvatten

Zij, die de natuur dichterlijk opvatten

Wij houden van ’t genot, der hemelen en kruinen,
de stilten zonder stad, de meeren en de kreek,
de wilde rooken en de weeke, trage beek
die watergeuren giet in ’t ritselen der tuinen;
wij zagen graag, alleen, in heel d’azuren streek
de wolken berg naast berg en ver de rookwalm schuine
gerezen waar de koelte kil de leden weekt,
de vlam, de flakker op de zee-geborgen duinen …

De nacht die gloeit, en was doorheen haar stillen adem
een Macht niet glad aan ’t welven ’t blauwe ruim van nacht,
wij zouden droomende handen in eerbied’gen vadem
verheffen en aan ’t hart de sterrenwijde pracht
nog koestren, onze vingren zouden ’t licht der dagen
afstrijken uit het diep van ’t blauw en zwijgend plein
en ’t oog als d’asters drinkend aan geheimen schijn
ontstak een nieuwe ster: ons glanzend welbehagen.

 

Marcel Brauns (1913-1995)
uit: De heimelijke lusthof (1942)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.