Gedicht: Jac. van Looy • Dubbel-zang

Dubbel-zang

– ‘O mooie Vogel, wat? hoe wilt gij van mij gaan?’
– “Uw Kooi is mij te eng, ik klaag om ruimt’ en hemel,
O ik versnak zozeer om ’t vederig gefemel
Van mijn gespreide vleugels ganslijk uit te slaan.

Om mij te menglen in het opperste gewemel,
Om daar in ’t Licht te zijn, stil in die glans te staan
Als ene Flonkersteen, die werd in licht, gevaân,
O, in die Kreitsen waar het hoog is, in die Hemel …”

– ‘Ziel, laat mij arme toch niet zonder doelwit wezen,
Lucht, Water, Vuur, Spruit, Bloem en Koren van mijn Kaf,
O Inhoud, werp mij niet als dorre zeemlen af.

Mijn Kern, ik leefde om U in duizend, duizend vrezen,
Hoe wringt ge zo in mij, wat martelt gij mij nu …
Het hulsel deed nooit kwaad dan in verband met U’.

Jac. van Looy (1885-1930)
uit: De wonderlijke avonturen van Zebedeus (1925)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.