Gedicht: Huub Beurskens • Zijn werelddeel Ik

Deze week worden de gedichten gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000, van dichters als Marieke Rijneveld, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Ilja Leonard Pfeijffer en Radna Fabias, zangers en zangeressen als Daniël Lohues en Katinka Polderman en hiphoppers als De Jeugd van Tegenwoordig. De gedichten die hij hier bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat ik aantrof in een bundel die alleen bestaat in het verborgen circuit van uitgaven in eigen beheer. Huub Beurskens, van wie vorig jaar nog de bundel Gedurig nader (uitgeverij Koppernik) verscheen, stelde een nieuwe lijvige bundel (72 pagina’s) samen, ontwierp zelf het omslag en de typografie van het binnenwerk, en liet hem zelf drukken: Aapnek tussen de ladyshaves. Te bestellen via info@huubbeurskens.nl.

Dit gedicht ‘Zijn werelddeel Ik’ trof me, eerst door de enorme treurigheid van het tafereel, daarna door het gemak waarmee het verteld wordt en het soepele rijm, en daarna door het sterke contrast tussen die twee. En pas daarna zag ik, in de aantekeningen van de dichter achterin de bundel, dat het hier om een vertaling ging. Geen gewone vertaling, maar een tegenovergestelde vertaling, een omgekeerde vertaling, of hoe noem je dat: een vertaling waarin het origineel in zijn tegendeel verandert. Beurskens noemt het “min of meer een contravertaling”, van het gedicht ‘Mein Weltenstück’, de allereerste publicatie, uit 1952, van Thomas Bernhard. Het gedicht van Bernhard heb ik hier toegevoegd. Zoek de verschillen.”

Zijn werelddeel Ik

Veelduizend keer dezelfde blik
uit het raam in zijn werelddeel Ik.
Geen appelboom bloeiend in het prille groen,
zelfs niet in een mager stil plantsoen,
maar aan de zonloze overkant een soort eik
op de stoep als schrale paal voor hondenzeik.
Dat aldoor galmende straatkindergekrijs,
als moet de wereld straks nog minder wijs;
een motor draait ergens altijd, hoe gauwer
de dag weer om is hoe beter, denkt de ouwe
achter zijn raam. Nergens schoorsteenrook
in de hemelstrook: centraal verwarmd, hij ook.
Een vogel zingt, het is een kraai, of twee of drie,
de kip ligt in de vriezer, ingelijst de vlinder die
er tegen het bloembehang vliegt, hij overweegt
al lang een kat te nemen die met hem samen eet,
louter onbekenden lopen langs, in het portiek
slaat na gestommel op de trap de deur, muziek
van een vrouw die ver de liefde vond klinkt door
het plafond, zijn wasje droogt op een stoel voor
de radiator, in de kelder wordt aan een scooter
gekloot, je ruikt benzinedamp, hoort dan gefoeter.
Zo gaat het ongeveer en omdat je nooit meer hier
een torenklok hoort slaan loopt overdag ieder kwartier
zijn wekker af voor andermaal dezelfde blik
uit het raam in zijn werelddeel Ik.

Huub Beurskens (1950)

*

Mein Weltenstück

Vieltausendmal derselbe Blick
Durchs Fenster in mein Weltenstück.
Ein Apfelbaum im blassen Grün,
Und drüber tausendfaches Blühn,
So an den Himmel angelehnt,
Ein Wolkenband, weit ausgedehnt …
Der Kinder Nachmittagsgeschrei,
Als ob die Welt nur Kindheit sei;
Ein Wagen fährt, ein Alter steht
Und wartet bis sein Tag vergeht.
Leicht aus dem Schornstein auf dem Dach
Schwebt unser Rauch den Wolken nach …
Ein Vogel singt, und zwei und drei,
Der Schmetterling fliegt rasch vorbei,
Die Hühner fressen, Hähne krähn,
Ja lauter fremde Menschen gehn
Im Sonnenschein, jahrein, jahraus
Vorbei an unserem alten Haus.
Die Wäsche flattert auf dem Strick
Und drüber träumt ein Mensch vom Glück,
Im Keller weint ein armer Mann,
Weil er kein Lied mehr singen kann …
So ist es ungefähr bei Tag,
Und jeder neue Glockenschlag
Bringt tausendmal denselben Blick,
Durchs Fenster in mein Weltenstück …

Thomas Bernhard (1931-1989)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.