Gedicht: Bernard Verhoeven • Kwatrijnen (1)

Drama

Een appel, rottend op de plaats der beet.
Een engel, onverbiddelijk geslachtloos, sneed
een cirkel met het slagzwaard der vervloeking.
De man. De vrouw. En naakt. De lust. Het leed.

Ander drama

Haar appel heeft den man bedrogen.
Dit werd ontdekt maar zonder baat:
sinds ligt in d’appel van haar oogen
te heimelijker het verraad.

Joachim

Doofstom: het vonnis, dat de engel sprak.
In smart moet ook de vrouw het kind verkrijgen.
Dus boog hij zwijgend. Toen de stomheid brak,
was in zijn stem de klank van jaren zwijgen.

Afscheid

We hebben aan het bed gestaan,
Wat eenmaal bond had afgedaan.
Oneindig eenzaam is het ademen
van ons vervreemd en weggegaan.

Bernard Verhoeven (1897-1965)
uit: Vormen (1937) / De hof van rozen en olijven (1942)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.