Een zeemens in Leiden

Bespreking van de zogenaamde zeemens die in het 17e-eeuwse Leiden is ontleed

Door Henk Hiensch

Het is ergens in het midden van de 17e eeuw, zo rond het jaar 1635, dat een van meerdere handelsschepen van de West-Indische Compagnie zich voor de kust van Brazilië bevindt. Plotseling ziet een van de kooplieden een vreemd wezen langs het schip zwemmen. Hij roept de andere mannen erbij en wijst enthousiast naar het water. ‘Een zeemens!’ roept hij. Alle andere mannen snellen zich naar de reling en kijken overboord. Ja, als ze elkaar verdringen en langs de wijzende vinger kijken, zien ze inderdaad een wezen zwemmen. Het is best groot, ongeveer zo groot als een mens. Het wezen heeft vreemde, menselijke handen, maar wel met stevige vliezen tussen de vingers. Dat moet zeker een zeemens zijn! De kooplieden pakken hun haken en netten erbij, en proberen het wezen direct aan boord te krijgen. En het lukt ze…

Dat zeelieden op verre reizen uitkeken naar zeemensen, de prototypische voorganger van de sprookjesachtige zeemeerminnen, was toentertijd gebruikelijk. Zo aan het einde van de 16e eeuw werden in Den Haag, destijds de boekenhoofdstad van Europa, de reisverslagen van onder meer de Portugezen volop vertaald en herdrukt. De bijzondere ontdekkingen die gedaan werden en de rijkdommen die men vond, waren enkele van de redenen voor Nederland om ook maar eens aan de slag te gaan met ontdekkingsreizen. Als eerste werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht in 1602, en niet lang daarna, direct nadat het Twaalfjarig Bestand afliep in 1621, volgde de oprichting van West-Indische Compagnie, die met name gericht was op kaapvaart. De beroemdste kaper van de WIC was commandant Piet Hein, die van de Spanjaarden de Zilvervloot veroverde.

De thuisblijvers waren natuurlijk heel erg benieuwd naar alle verhalen die de reizigers met zich meebrachten. Wat hebben ze gezien? Wat hebben ze beleefd? Bijna gelijktijdig ontstond er een vraag naar souvenirs. “Neem je de volgende keer een aapje voor me mee, papa?” De zeelieden kwamen met allemaal exotische bijzonderheden thuis en al snel ontstonden er verzamelingen, de zogenaamde naturaliënkabinetten. Eerst werden de voorwerpen gerangschikt op kleur en vorm, dus puur esthetisch, maar uiteindelijk begon er een systeem in te komen. Zo groeiden deze verzamelingen uit tot professionele en wetenschappelijke collecties waarin men wilde ordenen en vastleggen wat er nu wel en niet op de wereld bestond. De vraag naar souvenirs veranderde in een vraag naar bewijzen.

Tussen de verhalen over bijzondere wezens zaten ook de verhalen over zeemensen. Dat die bestonden, daar was iedereen het wel over eens. Van zoveel wezens die men op het land vindt, vindt men een variant die in zee leeft, dus waarom niet ook zo met de mensen? En er waren genoeg mensen die ze met eigen ogen hadden gezien.
Zo heeft Columbus er enkele gezien op zijn reis naar Amerika. Aan het eind van de 16e eeuw zegt ook de Portugese arts Dimas Bosque enkele meerminnen gezien te hebben in Ceylon, en ook John Smith (die van Pocahontas) zag ze op zijn reis naar Jamestown in 1606. Dit zijn slechts drie van vele waarnemingen van over de hele wereld. Vele zeelieden die aan boord van de koopvaardijschepen stapten, hadden dus goede hoop dat ze zelf misschien ook een zeemens zouden zien.

Maar tja, denken wij nu, al die waarnemingen zijn natuurlijk vergissingen geweest. Als iemand in de verte iets vreemds aanziet voor een meermin, dan zal het wel een zeekoe geweest zijn. Immers, een vluchtige waarneming is een bewijs van niks. Als er nu een keer eentje gevangen was, dan was het een ander verhaal..!

Daarom gaan we terug naar het schip voor de kust van Brazilië, midden 17e eeuw. Het is de kooplieden van dit WIC-schip gelukt om de zeemens aan boord te halen. Alhoewel het wezen zwemmend en levend is gesignaleerd, blijft het niet lang in leven. Vol verwondering kijken de kooplieden naar dit rare lichaam op het dek. Natuurlijk is iedereen het erover eens dat dit wezen naar Nederland meegenomen moet worden. En zo gebeurt het ook.

Het is hoogstwaarschijnlijk niemand minder dan opperadmiraal en gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië Johan Maurits van Nassau-Siegen, bijgenaamd ‘de Braziliaan’, die beslist waar het lichaam dan precies heen moet worden gestuurd. Deze populaire overzeese heerser houdt zich namelijk bezig met exotische curiosa, en hij heeft in Brazilië een grote, gestaag groeiende collectie. Daarnaast schenkt hij regelmatig bijzondere vondsten rechtstreeks aan de collectie van de Leidsche Hoogeschool. Ook dit is iets waar ze op de Hoogeschool waarschijnlijk wel raad mee zullen weten. De zeemens wordt dan ook vrij snel na de vangst klaargemaakt voor transport naar Leiden.

De Leidsche Hoogeschool had een van de grootste verzamelingen van (anatomische) rariteiten van dat moment: de Leidsche Universitaire Collectie. De collectie bestond deels uit de eerder genoemde souvenirs en bewijzen van over de hele wereld, en deels uit de restanten van ontleedkundige demonstraties. In de winter lag het grootste gedeelte van de collectie op de zolder van het grote schoolgebouw, maar in de zomer was het uitgestald in het Anatomisch Theater.

Het Anatomisch Theater was in 1597 opgezet op initiatief van hoogleraar anatomie Pieter Pauw en het bevond zich in de voormalige Faliede Bagijnenkerk. Dit theater had meerdere functies. In de zomer was het een soort museum, met onder meer Egyptische mummies en dierenskeletten. In de winter, wanneer rotting en bederf minder snel gingen, was het een plek voor openbare dissecties.

Door ontledingen voor groot publiek toegankelijk te maken hoopte men dat de allernieuwste medische inzichten sneller zouden worden toegepast in de praktijk. Men gebruikte hiervoor over het algemeen de lichamen van opgehangen misdadigers, omdat niemand daar rouwig om was en omdat hun lichamen nog het meest intact waren.

De zeemens is inmiddels vanuit Brazilië in Leiden aangekomen. Het is weliswaar de bedoeling om het lichaam toe te voegen aan de collectie, maar eerst moet het maar onderzocht worden. Een openbare dissectie in het Anatomisch Theater is de beste manier om dit te doen. Waarschijnlijk is het Adrianus Falcoburgus, hoogleraar ontleed- en heelkunde, die de bijzondere taak krijgt om de ontleding te verzorgen. Wanneer het zo ver is, zal er een hele menigte van geïnteresseerden bij deze gebeurtenis aanwezig zijn. Een van hen is een bewindhebber van de West-Indische Compagnie: de Leidenaar Johannes de Laet.

Johannes de Laet was niet alleen bewindhebber van de WIC, hij was zelfs medeoprichter. Daarnaast was hij een geograaf, taalkundige en polyglot, en schreef hij meerdere invloedrijke boeken over de Nieuwe Wereld en Brazilië.

De Laet was een intelligente man die zich in de hoogste kringen van Leiden en Amsterdam begaf. Alhoewel hij veel over Brazilië wist, was hij er zelf nog nooit geweest. Het was dan ook vanwege een grote nieuwsgierigheid naar alles wat uit Brazilië kwam, en al helemaal zoiets bijzonders als het lichaam van een zeemens, dat De Laet besloot een kijkje te nemen bij deze ontleding.

Goed, waar een vluchtige waarneming van een zeemens al gauw een vergissing kan zijn geweest, is dat met een ontleding iets minder makkelijk. Kan het lijf van een zeekoe nog steeds doorgaan voor een zeemens, als het misschien wel drie dagen lang onbeweeglijk tentoongesteld ligt in een ontleedzaal, en bekeken wordt door tientallen mensen en experts?

Nog altijd moeten we van mening zijn dat zeemensen niet bestaan en nooit bestaan hebben. Er is simpelweg geen keihard bewijs. Maar hoe waarschijnlijk dat ook is, zuiver wetenschappelijk is het niet. De afwezigheid van bewijs is namelijk geen bewijs van afwezigheid, dus technisch gezien kan nooit bewezen worden dat zeemensen niet bestaan of bestaan hebben.

Betekent dit dat we de theorie moeten verkennen dat zeemensen wél hebben bestaan? Nee, want geen van de feiten dwingen ons om een dergelijke theorie aan te nemen. Bovendien kun je feiten niet verklaren met iets wat niet bewezen is. We moeten eerst de simpelste verklaring verkennen, want dat is de meest waarschijnlijke. De simpelste verklaring voor vluchtige waarnemingen hebben we al: je hebt gewoon niet goed gekeken. Wat kan de simpelste verklaring zijn voor het lichaam op de ontleedtafel?

Terug naar het Anatomisch Theater. Johannes de Laet is getuige van de dissectie. Wat hij hiervan ziet en vindt, is helaas onduidelijk. Er bestaat anno nu slechts nog één enkele zin waarin het wezen wordt omschreven, maar het staat helemaal niet vast dat die zin onderdeel is van een door De Laet opgetekende getuigenis. Misschien is de zin slechts onderdeel geweest van de “briefing” waarmee het lichaam in Leiden is aangekondigd. Als die ene zin wel van De Laet afkomstig is, is het een raadsel waar de rest van zijn verslag gebleven is. Hoe dan ook, de zin luidt als volgt:

Het hoofd en de borst, tot aan de navel toe, vertoonden volkomen een menselijke gedaante, maar van de navel tot de voeten toe was het een onfatsoenlijk stuk vlees, zonder teken van enig staart.

Een omschrijving als dit maakt het ogenschijnlijk erg lastig om de hele zaak af te doen als een dode zeekoe. Deze korte omschrijving verschijnt voor het eerst in het Latijn in Historarium Anatomicarum Rariorum centuria uit 1654, van de Deense arts Thomas Bartholin. Hij was goede vrienden met De Laet. Waarschijnlijk heeft De Laet over dit voorval verteld aan Bartholin, toen hij enkele jaren lang in Leiden woonde en ze elkaar regelmatig spraken.

In zijn boek begeleidt Bartholin deze omschrijving met een tekening van hoe de zeemens eruit gezien zou hebben. Gek genoeg komt de tekening niet bepaald overeen met de omschrijving. De vreemde, korte armpjes en ganzenpootachtige handen passen helemaal niet bij een bovenlichaam dat “volkomen menselijk” genoemd wordt, en alhoewel er in de omschrijving voeten genoemd worden, ontbreken die in de tekening.

Bartholin verzekert de lezer nog even dat hij geen bedrieger is, en als aanvullend bewijs noemt hij de zeemenshand en -ribben die De Laet aan hem heeft gegeven, en die hij op het moment van het schrijven van zijn boek in zijn werkkamer voor zich heeft liggen. Ook van deze botten maakt hij enkele tekeningen en omschrijvingen en hij voegt ze toe aan zijn boek.

Met deze botten moet het raadsel van de Zeemens in Leiden toch opgelost kunnen worden! De omschrijving was erg onvolledig, maar een onderzoek van de botten moet de ware identiteit van de zeemens toch kunnen prijsgeven? Helaas niet.

Reden één: de botten bestaan niet meer. Toen Bartholin op een dag in 1670 van huis was, is zijn huis afgebrand. Zijn kostbare “boekenkamer”, met daarin een klein museum en bibliotheek en meerdere unieke voorwerpen en boeken, is helemaal vergaan. Het enige wat resteert van de botten zijn de schetsen en omschrijvingen. Alhoewel vele onderzoekers de schetsen gebruikt hebben om vast te stellen dat de Zeemens in Leiden een zeekoe is geweest, en vooral de Amerikanen zichzelf hierover op de borst kloppen, hebben ze allemaal een cruciaal stuk informatie over het hoofd gezien. Dat cruciale stuk informatie brengt ons op reden twee waarom de botten de ware identiteit van de zeemens in Leiden niet kunnen prijsgeven: ze zijn er helemaal niet van afkomstig.

We gaan enkele jaren terug. De ontleding is achter de rug, maar het is nog bijna tien jaar voordat Bartholin in zijn werkkamer aan zijn boek begint. Het jaar is 1646. Johannes de Laet correspondeert regelmatig met de Deense arts en natuuronderzoeker Ole Worm. Worm heeft in Denemarken een eigen museum van anatomische rariteiten, vergelijkbaar met dat in Leiden. De Laet heeft opgemerkt dat er iets ontbreekt in deze verzameling, en schrijft in een brief aan Worm dat hij Bartholin, voor die terugreist naar Denemarken, een doos zal meegeven met geschenken voor het museum. In deze doos, zo schrijft hij op 1 juli 1646, zitten de botten van de hand en ribben van een meermin, die men vindt voor de kust van Afrika, nabij Angola. Het zijn deze botten die uiteindelijk op de werkkamer van Bartholin belanden, dus niet die van de zeemens die in Leiden was ontleed.

Nu dat misverstand aan de kant is, rijst opnieuw de vraag wat de Zeemens in Leiden nu werkelijk geweest is. Terug naar de ontleedtafel in Leiden. De ontleding is klaar, en het lichaam ligt er niet meer. Niets hiervan is naar Denemarken gegaan. Zijn de resten aan de Leidse Universitaire Collectie toegevoegd? Niet allemaal.

Normaal neemt men zo’n drie dagen de tijd voor een ontleding, maar dit was anders. Het lichaam is per schip uit het warme Brazilië gekomen en was bij aankomst dus al in gevorderde staat van ontbinding. Bovendien vond de ontleding misschien helemaal niet in de winter plaats. De stank was dan ook ondraaglijk geweest. De meest bederfelijke organen werden sowieso weggegooid tijdens het ontleden, maar nu heeft men er wel extra haast mee gemaakt om het skelet snel van rottend vlees en ingewanden te ontdoen. Niets hiervan is bewaard, want vloeistofpreparaten maakten ze nog niet. Wat uiteindelijk van de zeemens was overgebleven zijn de botten. Wat hebben ze daarmee gedaan, vragen we aan de medewerkers van het theater. Ze hebben er wondermiddeltjes van gemaakt…

Ja, zoals zeldzame, eeuwenoude mummies vermalen werden voor de verfkleur “mummiebruin”, zijn de restanten van de mysterieuze zeemens doodleuk opgegaan aan wondermiddeltjes. Van de ribben heeft men kralen gedraaid die gebruikt werden tegen pijnlijke aambeien of tepels (al weet ik niet hoe ik dat voor me moet zien), en andere botten zijn tot ringen gemaakt die hielpen tegen duizeligheid en hoofdpijnen van schele mensen. Een 17e-eeuwse Leidenaar, die ons scheel aankijkt, verzekert ons tevreden dat het werkt.

Toch is niet alles van de zeemens weggegooid of opgegaan aan wondermiddeltjes. Als we enkele jaren later namelijk even rondlopen in het Anatomisch Theater, dan zien we in kast A item nummer 16: een zeemenshand. Er staat niet bij waar het vandaan komt, maar wel dat het is gedoneerd door een prins Maurits. Verwarrend genoeg waren er toentertijd twee Prins Mauritsen, maar ik denk dat we dit mogen lezen als Johan Maurits van Nassau-Siegen, de bekende schenker van zeldzaamheden, die zich na toetreden tot het Duitse vorstendom ook prins mocht noemen.

Is deze zeemenshand het enige overblijfsel van de ontlede zeemens, of een losse schenking? Waarom is het ook nu, net als bij Bartholin, slechts een losse hand? Waarom dan niet zoiets interessants als een schedel? Het lijkt erop dat zeemenshanden in die tijd de meest standaard of meest geliefde aandenkens waren van zeemensen. Het is best te reconstrueren hoe dat komt.

Er circuleerden dus veel verhalen van waargenomen zeemensen. Zoveel, dat men in zekere zin van het bestaan was overtuigd. Wie op reis ging, hoopte er eentje tegen te komen. En wie er eentje tegenkwam, hoopte voor zichzelf en voor het thuisfront een bewijs te kunnen meenemen. Het staat vast dat er, door de grote vraag naar souvenirs en bewijzen, een soort handel ontstond aan exotische rariteiten.

Waar de vraag groter is dan het aanbod, wat in het geval van bewijzen van zeemensen goed voor te stellen is, ontstaan creatieve oplossingen. Zo zijn er meerdere fabricages geknutseld van het bovenlijf van een aap en de staart van een vis, die vervolgens verkocht werden, of tegen betaling uitgestald, als meerminnen. Dit soort bedrog kwam echter, als ik me niet vergis, pas veel later.

In de 17e eeuw zocht men op een andere manier naar voldoende bewijzen van zeemensen om aan de vraag te kunnen voldoen. Zeekoeien werden wel vaker voor zeemensen aangezien, wist men, en zeker wanneer je een losse poot bekijkt heeft het aardig wat weg van een mensenhand. Of het nu begon met vergissingen, miscommunicaties of winstbejag: zeekoeienpoten werden op gegeven moment verhandeld als zeemenshanden. Wilde je een bewijs van een zeemens, dan kocht je van iemand een zeemenshand. Bartholin had er eentje uit Afrika, Leiden had er nu een, en er was ook een collectie in Milaan met een zeemenshand.

Er bestaat een vreemd verhaal, opgetekend in de 18e eeuw, waarin een zeeman zich plots aan boord had bevonden van een vissersschip. Men hakte hem geschrokken de hand af. De zeeman sprong in het water, maar de hand bleef achter. Of het echt gebeurd is zullen we nooit weten. Het lijkt er echter sterk op dat het een verzinsel is van een verkoper van een zeekoepoot, die een verklaring bedacht over hoe hij aan een losse zeemanshand was gekomen.

Het is inmiddels winter, het jaar 1807 is amper twee weken begonnen. Het enige wat er nog van de zeemens over kan zijn, is de hand die zich in de Leidse Universitaire Collectie bevindt. Welke prins Maurits de hand geschonken heeft, is niet honderd procent zeker. Of het een losse geschonken hand is, of het enige overblijfsel van het Braziliaanse lichaam, is ook niet helemaal zeker. Het is op dit moment trouwens niet te bekijken. Omdat het winter is, is het Anatomisch Theater ingericht op openbare dissecties. De meeste van de tentoongestelde items in de collectie, waaronder item nummer 16, de zeemenshand, zullen nu opgeslagen zijn op de zolder van de Leidsche Hoogeschool. En dan klinkt er plotseling een oorverdovende explosie vanuit het Steenschuur, een gracht in het verlengde van het Rapenburg. Het is de kruitschipramp.

Op 12 januari 1807 ontploft er in de binnenstad van Leiden een kruitschip met bijna 18,000 kilo buskruit. De Leidsche Hoogeschool stond weliswaar niet direct aan het water, maar was wel zodanig hoog dat het boven alle andere huizen uitstak. De onderste helft is dus redelijk gespaard gebleven, maar de zolder kreeg de volle laag. Een groot deel van de collectie werd verwoest door de schokgolf, en door de vacuümgolf ontstond zo’n plotselinge overdruk in de vloeistofpreparaten dat de potten uit elkaar sprongen. Het heeft geen zin meer, de zeemenshand is vernietigd.

Wat de zeemens nu precies geweest is, zullen we nooit met grote zekerheid weten. Wel is er een aannemelijk verhaal te bedenken dat alle onderdelen op een logische manier verbindt.

In de eerste plaats, men zal daar in Brazilië waarschijnlijk wel een zeekoe hebben opgevist. Hoe men dat heeft kunnen aanzien voor een zeemens is moeilijk voor te stellen, maar door de collectieve opwinding vond men, bewust of onbewust, zichzelf voor de gek houdend of de omstanders, dat het er wel voor door ging. Het lichaam gaat naar Leiden en Johannes de Laet neemt een kijkje. Alhoewel hij zeekoeien noemt in zijn boeken, heeft hij er nooit eentje in het echt gezien. Daarnaast was het in de 17e eeuw heel normaal om niet te twijfelen aan berichtgevingen van gerespecteerde mensen. Zodoende gelooft ook de intelligente De Laet dat het gaat om een zeemens, nog voor hij het lichaam heeft gezien. Achteraf beschrijft hij het lichaam als menselijker dan het werkelijk was. Deze beschrijving komt bij Bartholin terecht, en na een tijdje reist Bartholin terug naar Denemarken.

Niet veel later krijgt De Laet een zeemenshand en -ribben in handen, afkomstig uit Angola. Ook aan deze omschrijving twijfelt De Laet niet, en bovendien zien ze er hetzelfde uit als de handen van de zeemens in Leiden. De Laet redeneert dat er in Leiden al een zeemenshand ligt, en stuurt ze naar Bartholin voor het museum aldaar. Bartholin schrijft een boek over anatomische rariteiten en noemt de zeemens. Ook hij twijfelt niet aan de betrouwbaarheid van zijn vriend De Laet en beschrijft beknopt dat het dier gevangen is en hoe het eruit zag. Ter aanvulling maakt hij een schets van hoe het wezen er, afgaande op de menselijke trekjes in de omschrijving en het uiterlijk van de handbotten, uitgezien kan hebben. En het is vooral deze schets die zo misleidend menselijk is, dat we bijna vierhonderd jaar verder zijn en nog steeds gefascineerd kunnen raken door het vreemde voorval van de Zeemens in Leiden.


Bronnen

Bartholin, T. (1670). De Bibliothecae incendio dissertation ad filios

Bartholin, T. (1654). Historarium Anatomicarum Rariorum Centuria II

Bartholin, T. (1657). Seltsame ondervindingen ofte Geschiedenissen, ontrent de Anatomia ofte Ontledinge, vertaling van L.V.B.

Blok, P.J., & Molhuysen, P.C. (1918). Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek deel 4.

Bosman, M. (2014). Johan Maurits (1604-1679): koloniaal bestuurder van Brazilië. ‘De Braziliaan’. Historisch Nieuwsblad 1/2014.

Bremmer Jr., R.H. (1998). The correspondences of Johannes de Laet (1581-1649) as a mirror of his life.

Senter, P. & Snow, V. B. 2013. Solution to a 300-year-old zoological mystery: the case of Thomas Bartholin’s merman. “Archives of natural history”. Volume 40, pp. 257-262, doi 10.3366/anh.2013.0172

Witkam, H.J. (1980). Catalogues of All the Chiefest Rarities in the Publick Anatomie Hall of the University of Leyden.