‘De roovers in het bosch’ (1852)

Jeugdverhalen over joden (60)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend

Halverwege de 19de eeuw kwamen miniatuurpoppenspelen in de mode die gebruikmaakten van schaduw- of lichteffecten. We kennen dergelijke spelen nu onder de naam Wajang, maar toen werden ze schaduwbeelden of Chinese schimmen genoemd. Bij deze voorstellingen verschenen ook tekstboekjes, met kluchten, kleine vertellingen, sprookjes en versjes.


Chinese schimmen of schaduwbeelden. Bron: Europeana Collections.

         De vertelling ‘De roovers in het bosch’ is opgenomen in Kluchtspelen voor de Chinesche schimmen, geschikt voor kinderen, een uitgave uit 1852 van de Amsterdamse uitgeverij G. Theod. Bom. De papieren voorstellingen die bij dit boekje horen zijn helaas niet bewaard gebleven. Het verhaal gaat over rovers die in een bos op de loer liggen om reizigers te overvallen die op weg zijn naar de jaarmarkt in een dorp.

            Een van die reizigers is de marskramer Salomon Levie Benjamin. Als Salomon samen met zijn zoontje Itzekie het donkere bos nadert, wordt hij bang. Salomon spreekt met een zwaar joods accent, doorspekt met Duitse woorden. ‘O mijn! (…) ik bin er bang in! khind! blijf toch hinter mir: hier zouden wel stroikroovers kunnen wezen.’

            Salomon en Itzekie worden staande gehouden door struikrover Hubert. Die beveelt Salomon om zijn mars neer te zetten. De marskramer herkent zijn overvaller en roept: ‘Ach mijnheertje lief! je kent me toch: hik bin Salomon Levie Benjamin, hik woon toch op Vlooijenbirg [Vlooienburg maakte deel uit van de Amsterdamse jodenbuurt; ES], hik meen as ik an meneer nog een spiegeltje en een zakkhammetje verkocht heb op de laatste kermis van het Dorp: ik ga er toch weer na thoe; ach mijnheertje! denk toch, as ik toch een harm mensch ben: ik ga toch ook uit om een centje te verdienen voor men Racheltje en men zeventien kindertjes.’

            Hubert zegt dat als Salomon een ‘mooi deuntje’ voor hem zingt, hij met z’n spullen kan vertrekken. Daarop zingt ‘de jood’ dit lied:

Hik kwam me daar laatst toch de markt te passeren;
Daar riep me de kheekemeid:
Zeg Slome! wil jij hier de prillen van me khoopen,
Die de jiffre heeft afgeleid?

Hik ghing me daar an ’t biejen en ik ging me daar an ’t khoopen,
En ik khocht me den ganzen boêl
Wat kan het me toch schelen, as ik ippes [iets] kan verdhienen
Wat gheef ik dan om al het gewoel.

Maar, zoo waar zel je leven, het is toch al lang geleden,
Thoen was het me een betere thijd:
Thoen dorsten me de birgers nog gheld te besteden
Ja thoen raakte men de prillen nog kwijt.

Maar noe! niet verdienen en nog alles te verdragen
Me te laten nog schelden voor smous!
’t Is te erg, maar geloof me, ik zweer je ik zal ze leeren:
Ik geef ze allen nog een klap met me khous.

Struikrover Hubert zegt daarop: ‘Mooi zoo! sla ze maar niet zeer, ga nu maar heen en als je goede negotie hebt gemaakt, denk dan aan mij.’ Meteen daarna vermoordt Hubert de volgende reiziger: een arme pelgrim. Kort daarop wordt Hubert samen met een paar andere rovers opgepakt door een groep soldaten.