Slordig lezen met Martin Reints

Over ‘Afsluitdijk’ van Vasalis

Door Jos Joosten

Op zijn blog geeft auteur Huub Beurskens deze week zijn collega Martin Reints de vloer om eens flink los te gaan op ‘Afsluitdijk’ van Vasalis, een van haar bekendste gedichten, uit de bundel Parken en woestijnen. Lange tijd was het de bon ton om Vasalis’ poëzie weg te zetten als burgerlijk, truttig, als gerijmel – vooral uit de hoek van de mannen van het langjarige experiment was dat de teneur. Typerend een W.F. Hermans die anno 1955 oordeelde: ‘Ik vind het damespoëzie, bien-pensant en onwaarachtig, berustend op de clichés die de weldenkende mensheid gebruikt om alles wat ellendig, schaamtevol, onoorbaar en wanordelijk is te ontkennen.’

Die trend lijkt de laatste decennia behoorlijk gekeerd en Vasalis is meer en meer op haar waarde geschat – voor zover ze dat overigens door het grote publiek so wie so niet altijd al was. Zij is de enige Nederlandse dichter(es) wier complete werk gedurende haar hele leven in de boekwinkel op voorraad was.

Natuurlijk is appreciatie een individuele kwestie. De één vindt een beeld pakkend en onontkoombaar, de ander vindt het totale kitsch en troep. De een beschouwt iets als poëzie (‘De onrust in mijn darmen/herinnert me aan mijn ingewanden’) de ander niet (ik).

Reints’ oordeel over ‘Afsluitdijk’ is duidelijk: ‘Eigenlijk is van dit gedicht alleen de titel goed. Heel goed. Maar de rest van het gedicht: slecht geschreven onzin. Of is er toch iemand die het tegendeel kan bewijzen?’

Goed, mijnheer Reints, gordels om, dan slaan we maar eens aan het bewijzen.

Opmerkelijk is, om te beginnen, dat Reints opzichtig inhakt op iets wat zich onttrekt aan smaak en waarover nu juist wel het nodige feitelijks over te zeggen valt:

wanneer een meubelmaker zijn stoelen zo slecht zou maken als Vasalis dit gedicht, zou hij geen stoel verkopen. En als een advocaat zijn pleitnota zo krakkemikkig in elkaar zou zetten, zou geen rechter hem serieus nemen.

Van ‘Afsluitdijk’ kun je, als je wilt, veel beweren, maar nu juist niet dat het gedicht niet ingenieus in elkaar zit. Bekijken we het hele gedicht eerst nog even.

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos,
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken,
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar ‘t een droom, in ‘t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

In mijn boek Onttachtiging (Vantilt 2003, p. 45-49) heb ik het gedicht al eens aan een onderzoekje onderworpen en daarop grijp ik hier ten dele terug.

Bij een allereerste blik op ‘Afsluitdijk’ springt natuurlijk de strofenbouw in het oog. De tegenstelling is duidelijk, tussen enerzijds de twee kwatrijnen en anderzijds de laatste twaalf regels die één grote (slot)strofe vormen. Wanneer je het metrisch leest, wordt duidelijk dat dit strofische onderscheid parallel loopt aan een ritmische tweedeling.

De eerste twee strofen zijn strak geordend, opgebouwd in jambische pentameters. Op twee plaatsen zien we betekenisvolle inversies. In regel drie en vijf wordt de jambische structuur doorbroken en ligt de klemtoon op de openingswoorden ‘links’ en ‘vóór’. De woorden nemen zo equivalente posities in de respectieve regels in, en hebben ook een vergelijkbare betekenis: plaatsbepalingen van de werkelijkheid ten opzichte van de ik-figuur.

Terzijde valt te overwegen dat ‘links’ ook een iconische waarde heeft doordat het door de inversie (inderdaad) helemaal links in de typografische zin komt te staan Vasalis had de regel ritmisch probleemloos jambisch kunnen houden: ‘De zee ligt links’.

Na de tweede witregel wordt de orde verstoord. De verdeling in kwatrijnen verdwijnt, net als het strakke ritme. Er duiken dactyli op (je kunt erover discussiëren of de openingsregel ook een inversie is, maar verderop volgen zonder twijfel enkele dactyli) en de pentameter-structuur maakt plaats voor wisselende regellengtes: zes voeten, een aantal keren vier voeten, éénmaal zelfs drie.

Opmerkenswaardig is de, ook al door Reints gesmade, slotregel. Ten opzichte van de voorgaande versregel, waaraan die door rijm gekoppeld is, staat daar een extra versvoet (zes dus in totaal) met een – kleine – iconische lading: de twee extra lettergrepen komen ten goede aan het woord ‘lange’, en verlengen de versregel dus inhoudelijk betekenisvol: in hun weergave van het ‘lange heden’.

Er openbaart zich een tegenstelling van orde naar onorde, van werkelijkheid naar droom, die mooi ingeleid wordt: in de ‘werkelijkheid’ vallen beide matrozen in slaap – het laatste woord van de tweede strofe is ‘slapen’ – en voor de wakkere ik-figuur begint juist daar, na de witregel, de droom. De tegenstelling krijgt technisch op een knappe manier vorm: de eerste twee strofen zijn een ‘feitelijke’ beschrijving van de werkelijkheid, de situatie in de bus die op een ‘rationele’, geordende manier gerepresenteerd wordt met een beheerst klassiek poëtisch idioom.

In het tweede deel krijgt de droom de overhand en verdwijnt die rationele ordening: het systematiserende traditionele rijmschema maakt plaats voor een vrijere, afwisselende maat die past bij de onbestendigheid van de droombeelden.

Er vindt ook wisseling van poëtische taalbehandeling plaats. In de eerste twee strofen worden gangbare poëzietechnieken gebruikt. Eenvoudige metaforen: de ‘bus’ is een ‘kamer’, de zee een beest (want ‘getemd’), een synesthesie (de maan schijnt ‘zacht’) en een op het oog tamelijk uitgesleten vergelijking: ‘de dijk is eindeloos’. De matrozen zijn niet de stereotype nachtbrakers, stappers of andere zelfkantige havenfiguren, maar juist de onschuld zelf: zo tam als – equivalent – de getemde zee, waar ze bijhoren.

In het tweede deel dient zich een fascinerende paradox aan: de taal wordt enerzijds directer, minder dichterlijk: geen metaforen meer, maar slechts de dingen die de ik ‘echt’ ziet. Anderzijds wordt die waarneming in zijn geheel droomachtig, beelden vervagen en verdubbelen. De taal vertoont nu ook ambiguïteiten. De woorden ‘soms duidelijk als wij’, staan een dubbele interpretatie toe. Ze verwijzen niet alleen naar ‘ons’ in de bus, maar kunnen, wat hardop voorlezen zou toelaten, ook geïnterpreteerd als ‘wei’, de grasvlakte die men aan een kant buiten de bus ziet.

Dat zou direct de oppositie met de ‘zee’ (aan de andere kant) sterker maken. Ook het enjambement in regel zes heeft die dubbele betekenis. Door zijn plaatsing kan ‘alleen’, behalve als eerste woord van de zin in de versregel erna, terugslaan op de voorgaande regel waarmee de eenzaamheid van de ik-figuur aangegeven wordt.

Wanneer er, ten slotte, nog even gekeken wordt naar de laatste versregel, waarin de ik een soort tijdloze eeuwigheidervaring heeft, dan moeten we vaststellen dat aan de al genoemde – ogenschijnlijk afgesleten – vergelijking ‘de dijk is eindeloos’ uit de openingszin een functie als opmaat toegekend mag worden voor de kosmische afsluiting.

Reints’ idee dat Vasalis’ gedicht slecht inelkaar zou zitten kan dus vrij eenvoudig weerlegd worden – en je hebt er geen briljante analyse-skills voor nodig om dat vast te stellen. Het enige waarover Reints te spreken is (we zagen het al) is de titel van het gedicht:

“Afsluitdijk” is ook prima. Heel goed zelfs. Ik lees de titel en ik zweef in gedachten boven het IJsselmeer: ik zie op een afstandje de lange lijn van de dijk, rechts Friesland, links Noord-Holland. Over die dijk rijdt een bus, van rechts naar links. Ik zie het voor me.’

Verre van mij om welke lezer dan ook zijn of haar associatie bij welke poëzieregel dan ook te ontzeggen. Maar om je te beperken tot alleen die private associatie doe je – in elk geval in dit geval – het gedicht tekort. Vasalis heeft, daarvan ben ik overtuigd, niet toevallig voor de Afsluitdijk als locatie van haar gedicht gekozen.

De Afsluitdijk, die in 1932 voltooid werd, was in haar tijd een absoluut wonder der techniek waarvoor de wereldpers bij de opening uitliep. Het technisch kunststuk paste bij de nationale mythe van de Hollanders die hun eigen land maakten en was, los daarvan, so wie so een absoluut topstuk van technisch denken en rationeel-kunnen (onder meer erkend als International Historic Civil Engineering Landmark). Als hedendaagse lezer realiseer je je allicht te weinig dat een waterstaatkundig bouwwerk niet per se voor hand lag als ‘poëtisch’ onderwerp. Ik denk daarbij dat de titel ‘Afsluitdijk’ niet alleen als letterlijke referentie moet worden gelezen, maar ook overdrachtelijk gelezen kan worden. De dijk is dan symbool voor ultiem technisch, rationeel kunnen dat de zee, te lezen als vrijheid en onberekenbaarheid, de intuïtie, afsluit, indijkt, letterlijk ‘temt’. Het is dus geen toeval dat de ‘ik’ haar irrationele ervaring van tijdloosheid juist beleeft op dit monument van de moderne ratio. (Dezelfde tegenstelling blijkt natuurlijk al uit Vasalis’ bundeltitel Parken en woestijnen, ook hier het aangeharkte tegenover het woeste.) Het is daarbij niet te ver gezocht om ‘Afsluitdijk’ ook te zien als poëticaal gedicht voor de stroming waartoe zij in die tijd gerekend werd: de Criterium-generatie met haar romantisch-rationalisme, een term waarmee de beide centrale polen uit het gedicht ook nog eens aangegeven zijn.

Ik zei al: iedereen mag associëren wat hij of zij wil, maar naar mijn smaak gaat Reints wel erg ver met zijn curieuze interpretatie van de aanwezigheid van beide matrozen. Hier interpreteert hij definitief uit een wel heel erg losse, om niet te zeggen totaal losgeslagen, pols.

Het gedicht staat in een bundel uit 1940, dus het zal zijn geschreven tijdens de algemene mobilisatie. In de tweede helft van 1939 werden er tienduizenden dienstplichtigen opgeroepen zich te melden bij hun verzamelplaatsen. De Algemeene Transport Onderneming had tot half augustus 1940 een buslijn tussen Leeuwarden en Alkmaar. Ik neem dus aan dat die twee matrozen naar Den Helder moeten. Ze hebben hun nekken nog even keurig geschoren of laten scheren en nu zijn ze op weg naar het slagveld. Wat een weerzinwekkende vertedering bij Vasalis! (…) Vasalis vindt het aandoenlijk: twee keurig verzorgde matrozen aan de vooravond van een wereldoorlog.

Voor Reints’ uitgangspunt (dat het gedicht ‘zal zijn geschreven tijdens de algemene mobilisatie’) is noch tekstinterne noch tekstexterne evidentie bekend. Het gedicht kan welbeschouwd elk moment tussen (globaal) 1932 en 1940 geschreven zijn. Op basis van zijn ongefundeerde idee doet Reints niettemin een, met alle respect, totaal bizarre aanname: de soldaten zijn ‘op weg naar het slagveld’. Welk slagveld dan, zelfs als het 1939 zou zijn geweest (nog los van het detail dat de marine zich so wie so niet op een slagveld begeeft)?

Onzin dus.

En dan hebben we de onzinnigste onzin nog niet gehad: hij verwijt Vasalis dat zij ze maar ‘aandoenlijk’ vindt, die beide matrozen ‘aan de vooravond van een wereldoorlog’. Breaking news! Martin Reints presenteert een opzienbarend literair-historisch nieuwtje: Vasalis was fout vóór de oorlog!

Maar serieus: los nog van het feit dat dit gedicht nergens over aanstaande, mogelijke oorlogshandelingen gaat (wie zegt dat de matrozen niet tot de burgervloot behoorden?), het is al te bizar om te suggereren de dichteres kennis had van het feit dat zij aan de ‘vooravond van een wereldoorlog’ leefde.

Net als de patiënt die bij Rohrschachtest in elke inktvlek een blote vrouw ziet, mag iedere lezer voor zichzelf in een gedicht zien wat hij of zij wil. Maar om er publiekelijk zo totaal bezijden de tekst een partij willekeurig en boosaardig op los associëren van te maken zoals Reints hier doet is beneden niveau. Je verwacht van een gelauwerd dichter en essayist beter.