Schoenen aan, schoenen uit

Door Marc van Oostendorp

Illustratie; V.N. van Oostendorp

Nene is ruim vijfeneenhalf jaar oud en een paar maanden geleden bij ons in Nederland komen wonen. Als een zonnebloem draait haar taal nu van het Hongaars naar het Nederlands.

Vrijwel het enige Hongaars dat er nog over is, zijn woorden die de logica van het gesprek moeten duidelijk maken: dus, en, maar. De voornaamwoorden hebben het lang volgehouden, maar zijn inmiddels ook gevallen. Dus komt af en toe ook in Nederlandse gedaante al voor, aan het eind van beschouwing. “We gaan dat doen. Gisteren zei papa dat we dat gingen doen. Dus.” Ik ben bang dat dit soort bewijzen uit het ongerijmde van mij komt.

Wat ze begrijpt is niet altijd precies wat ze zegt. Ze weet al een tijdje dat je niet gebruikt voor ontkenningen, maar als ik “geen ijsje” zeg, herhaalt ze teleurgesteld “niet ijsje”. Ze weet dus dat geen ook een ontkenning is, maar om die actief te gebruiken, dat gaat net te ver. “Wel ijsje” kan ze trouwens nog veel beter zeggen.

Grappig is dat ze zich het verschil niet goed lijkt te kunnen herinneren tussen bijvoorbeeld schoenen aan en schoenen uit. Ze weet duidelijk dat aan-uit een woordpaar is met tegenovergestelde betekenissen, maar ze kan nog niet onthouden welk van de twee je nu wanneer gebruikt. De betekenis van de woorden zit al wel in haar hoofd, maar ze moet de polen nog uit elkaar trekken.

Zoals ze ook alle getallen tot en met twaalf in een mum van tijd had geleerd (in het Hongaars kan of kon ze al verder tellen), maar niet de volgorde. Zeven en acht hebben haar voorkeur, dus die noemt ze heel veel als we verstoppertje spelen.