Museumstukken van taal

Door Marc van Oostendorp

1914 was het jaar dat Husserl schreef Zurück zu den Sachen selbst (‘terug naar de dingen zelf!), dat het vol in Parijs riep Ils ont tué Jaurès! (‘ze hebben Jaurès gedood’), dat de Britse schrijver H.G. Wells het in de krant had over the war to end war (‘de oorlog die de oorlog zal beëindigen’), de Franse president Raymond Poincaré stelde La mobilisation n’est pas la guerre (‘mobilisatie is geen oorlog’) en de Britse minister Grey of Fallodon dacht The lamps are going out over all Europe; we shall not see them again in our lifetime (‘De lampen gaan overal in Europa uit; we zullen ze in ons leven niet meer zien ontsteken’).

Het zijn een paar voorbeelden uit het nieuwe boek van Paul Claes, Wie zei dat? 500 historische oneliners. Zoals veel van Claes’ werk gaat dit boek niet expliciet over taal, maar zet het wel aan het denken.

Op de hem eigen zorgvuldige en erudiete manier brengt Claes in chronologische volgorde een groot aantal uitspraken, zinnetjes, woordgroepen die een rol hebben gespeeld in de geschiedenis. Die wordt, volgens zijn voorwoord, “evenzeer geschreven door woorden als door daden. Slagzinnen hebben massa’s gemobiliseerd, met strijdkreten werden oorlogen gewonnen en bon mots hebben tegenstrevers gekraakt.”

Nieuwsbulletin

In de taalfilosofie zeg je dan dat woorden eigenlijk ook daden zijn: met alles wat je zegt verander je de werkelijkheid een beetje. (Met dit stukje verander ik hem bijvoorbeeld waarschijnlijk doordat een paar meer mensen kennis hebben van het bestaan van Claes’ boek.) Die veranderingen zijn meestal klein, maar soms lijken ze groter te zijn.

Nu is van de hierboven genoemde ‘one-liners’ alleen dat van Husserl gemakkelijk als een taaldaad te begrijpen: door te zeggen dat hij terug wilde gaan naar ‘de dingen zelf’, keerde de wijsgeer ook terug naar ‘de dingen zelf’. De andere drie citaten bevatten strikt genomen beschrijvingen van een situatie. Nu zijn beschrijvingen ook taaldaden: ‘Ils ont tué Jaurès’ geeft een nieuwsfeit en informeert de luisteraar. Maar dat is natuurlijk niet de reden dat die zin ‘historisch’ is, want dan zou ieder nieuwsbulletin vol ‘historische one-liners; zitten.

Koesteren

Al die one-liners zijn gestolde taaldaden, en de vraag is waarom dat zo is. Heel vaak zijn het beschrijvingen van een bepaalde stand van zaken. De precieze bewoording is belangrijk, maar historische accuratesse is dat niet altijd. In het geval van Jaurès heeft onderzoek volgens Claes uitgewezen dat de zin oorspronkelijk door de vrouw van een medewerker van Jaurès werd uitgesproken als Jaurès est tué. Doordat ze beschrijvingen zijn, kun je ze zien als pogingen tot framen (dit is geen zinloze oorlog, want hij gaat eens en vooral een einde maken aan het fenomeen oorlog), maar omdat het gaat over gebeurtenissen in het verleden is de kracht van die framing inmiddels vermoedelijk wel een beetje verbleekt.

Dat gestolde is ook om een andere reden belangrijk. Er is al een tijdje veel discussie over het idee van embodied cognition: de kritiek op een groot deel van de geschiedenis van de taalbeschouwing dat ze de taal als te abstract ziet, als te zeer gescheiden van het menselijk lichaam: een mens denkt immers altijd met dat lichaam. Tegelijkertijd laten dit soort brokken zien dat ook buiten het schrift stukjes taal zich echt van dat lichaam kunnen afscheiden.

Dit soort one-liners zijn dus brokjes taal die misschien niet eens altijd een belangrijke rol hebben gespeeld in de daadwerkelijke historische ontwikkeling. Ze zijn in dat opzicht echt museumstukken, vergelijkbaar met laten we zeggen de muts van Jaurès op het moment dat hij verloren werd: de oorspronkelijke functie is er niet meer want je kunt hem niet meer op je hoofd zetten, het is misschien zelfs de vraag of Jaurès die muts nu echt wel droep op het dodelijke moment, maar we koesteren de overblijfselen.

Paul Claes, Wie zei dat? 500 historische oneliners. Nijmegen: Vantilt, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.