‘Mooi’ vinden beteekent niets

De Multatulileescursus (50)

Door Marc van Oostendorp

– Als ik een overkoepelend thema zou moeten geven voor de de brieven en documenten van 1873 in deel 16 van de Volledige Werken, zou ik zeggen: Multatuli en de kritiek.

– Hè, wat heerlijk, we krijgen college!

– Om te beginnen is er de wonderlijke correspondentie met eerst J.W.T. Cohen Stuart, en even later ook diens vader, A.B. Die J.W.T. is een student en bewonderaar van Multatuli en uit die bewondering door vrij onomwonden allerlei kritische vragen te stellen. Bijvoorbeeld stelt hij de netelige kwestie aan de orde dat Multatuli aan het eind van Max Havelaar wel allerlei grote woorden gebruikte, maar daar in de 13 jaar die er sinds publicatie waren voorbij geschreden, maar weinig van had waargemaakt:

Ik houd, tot nader order, de laatste strofe van uw verschrikkelijk boek voor onwaar.
Heeft U uw boek vertaald in de weinige talen die U kendet? Heeft U nieuwe talen aangeleerd, om daarin dat boek over te brengen? Heeft U uw boek vertaald in d’Oostersche Talen? Kendet Ge die wel?
Heeft U ‘Klewang-wettende krijgsliederen geslingerd in de gemoederen van hen, wien Ge hulpe hebt toegezegd, gij Multatuli’?
Heeft U den wettigen weg van geweld betreden?
Neen, neen, duizendmaal neen! Dat alles deed U nooit!

– Multatuli gaat zeer welwillend op die brief in. Hij negeert weliswaar die kritische vragen min of meer, maar hij lijkt het wel amusant en interessant te vinden dat een jonge man zijn werk zo serieus neemt. Hij geeft hem zelfs een antwoord op de vraag wat de jongen met zijn leven aan moet dat zo ongeveer zijn hele oeuvre, of in ieder geval zijn werk van de vroege jaren zeventig samenvat:

Wat ge ook doen wilt, leg ’n stevigen grondslag. Dat is: werk! Gesteld dat uwe levensplannen blyken onuitvoerbaar te zyn – wat de vraag is! – ook dan nog zal ’t u later nooit berouwen, die te hebben aangevangen met iets dat vrucht draagt by elke levensrichting. Behandel al wat ge doet vóór uw dertigste jaar, als… propaedeutisch, als algemeene voorbereiding tot… alles.

Wanneer iemand tot me kwam met ’n levensplan dat ik goedkeurde, zou ik hem vóór alles ’t werken aanraden als middel om dat plan te doen gelukken. En in ’n tegenovergesteld geval – d.i. als ik z’n plan zot vond – gaf ik hem geen anderen raad.

– Maar dan begint vader A.B. zich ermee te bemoeien en al snel loopt het uit de hand. Nu stelt die A.B. zich ook eigenaardig op, hij wil Multatuli vragen om zijn zoon een beetje in bescherming te nemen, maar tegelijkertijd begint hij zijn grieven tegen hem op te sommen.

– Ook die grieven zijn overigens minstens voor een deel dat Multatuli wel hoog opgeeft van bijvoorbeeld het lot van de Javaan, maar ondertussen toch al jarenlang niets doet om echt iets aan dat lot te doen.

– Een niet helemaal ongegrond verwijt, lijkt me.

– Ik weet niet of het daaraan ligt, want twee van de cruciale brieven ontbreken, maar in ieder geval wordt Multatuli woedend over zoveel onbeleefdheid, weet de vader van geen wijken, en trekt de zoon, duidelijk niet zonder spijt, partij voor de vader.

Maar, waar die man zelf zoo nadrukkelijk ieder oogenblik wijst op wat hij deed, – waar die man op zoo – onbeleefde wijze afsnauwt – want in dien toon was uw brief – ieder, die ’t niet met hem eens is, en antwoordt weigert op zaken, waarbij zijn karakter zóó zeer betrekking heeft, die den zedelijken toestand van dien man in zulke mate betreffen, – daar kan ik alweder niet ontkennen, dat langzamerhand die eerbied, – om ’t zoo eens te zeggen – wegkwijnt.

– Vader Cohen Stuart zou later overigens menige publicatie wijden aan deze grieven tegen Multatuli. Op zich een interessant verschijnsel: wat een tomeloze haat die schrijver wist op te roepen.

– Er zit toch ook echt wat in? Als je altijd je mond vol hebt van grootsheid, en rechtvaardigheid, en iemand wijst je erop dat je vanuit Wiesbaden vooral filosofische bespiegelingen en het Wouter-verhaal de wereld instuurt, dan kun je daar toch op ingaan? En dat hoeft dan toch niet als door een wesp gestoken?

– Je zou kunnen zeggen dat zijn onmacht met kritiek om te gaan de zwakke plek in zijn karakter was. Hij was een enorm onafhankelijk denker, onafhankelijker misschien dan enige andere Nederlandse schrijver ooit is geweest. Maar hij wilde dan ook niets aannemen, en dat zorgde er af en toe voor dat hij onzin beweerde.

– Maar hij kon wel degelijk tegen kritiek! Er is bijvoorbeeld de kostelijke bespreking in Het Schoolblad van Miljoenenstudieën, waarin wordt uitgelegd dat er een aantal wiskundige fouten in dat boek zitten. Daar reageert hij wel redelijk op.

– Ja, al wijst hij er in zijn reactie ironisch op dat hier duidelijk ‘de vakman’ spreekt en stuurt hij die vakman zijn specialiteiten. Want je moet natuurlijk eigenlijk een vakidioot zijn om zulke dingen na te rekenen, suggereert hij.

Komiek is het, dat hy van die berekeningen de hoofdzaak schynt te maken. Daaruit kan men den vakman proeven.

– Terwijl hij zich er verder steeds op laat voorstaan dat hij zo enorm op de precisie van de wiskunde is gesteld.

– En dan zijn er nog de vernietigende artikelen van zijn voormalige bondgenoot Van Vloten, vooral over het stuk over Bilderdijk. Van Vloten laat zien dat er van Multatuli’s taalkritiek niet veel klopt. Allerlei uitdrukkingen die hij belachelijk maakt bij Bilderdijk, blijken gewoon in naslagwerken te staan. Multatuli vindt het woord echtkoets voor echtelijk bed bijvoorbeeld idioot, maar er is wel degelijk een woord koets dat bed betekent:

Douwes Dekker had moeten weten, dat wij tweeërlei koets in ’t Hollandsch kennen: het een ’t Fransche Couche, ’t andere voor ’t Fransche coche – of liever ’t Hoogduitsche Kutsche daar wij ’t waarschijnlijk van dit laatste vormden.

– Maar dat is toch volkomen bezijden het punt? Wie kent dat woord koets=bed? Het was Multatuli erom te doen dat iemand gewoon Hollands schreef?

– En wie bepaalde wat dat was? Eduard Douwes Dekker?

– Omgekeerd is ook waar dat Multatuli vooral kritisch was, en eigenlijk nauwelijks iets heeft geschreven over schrijvers die hij wel bewonderde. Als hij wilde laten zien hoe belangrijk het was te ‘leren lezen’, had hij dat dan niet kunnen doen aan de hand van goede schrijvers?

– Ja, hij raakt in deze periode bevriend met Vosmaer, en hij is onder de indruk van diens langere gedicht Londinias. Maar hij zwijgt daarover:

Ik heb lust iets te schryven over Londinias! Dat is ’n keurig ding. Maar ’t is niet makkelyk, het goede dat ik er van te zeggen heb, goed te zeggen. ‘Mooi’ vinden beteekent niets. Ik moet uitleggen waarom.

– Zelfkritiek heeft Multatuli dan weer wel, dat moet je hem nageven:

 ’t Gebeurt zoo zelden dat ik in geestdrift raak! Wat volgt daar uit? De malle waan dat ik alleen wat goeds kan voortbrengen, enz. enz.-

– Maar tegelijkertijd leed hij dus wel aan die waan.

– En terecht ook wel. Wie leest er nog Londinias?

– Maar hoe weten we of dat op zich terecht is?

– Het staat op de DBNL, he?

– Ja, zoals hij Vosmaer ook toevertrouwt:

Weet je hoe ik dan voel? Als iemand die by-geval eens wat gedaan heeft dat de menschen ‘hè!’ doet zeggen en nu eigenlyk graag zou willen wegloopen om z’n behaald triumfje niet te bederven. Ik voel me dikwyls zóó ordinair dat Kappelman me z’n dochter ten huwelyk zou kunnen geven. Dit is nu al sedert weken ’t geval.

– Hij was geen man uit één stuk, precies dat maakt hem natuurlijk nog zo interessant. Volgende week de bundel Ideeën die hij in dit half jaar schreeft, nummer VI.