Gedicht: Jacob Westerbaen • Droom

Droom

In ’t midden van de nacht geraakte ik aan ’t dromen
en zag mijn Rosemond omtrent mijn bedde komen:
haar woorden waren zoet, zij was haar wreedheid moe,
haar oogjes wierpen mij veel lieve lonkjes toe.
’k Verstoute mijn gemoed en ik begon te klagen*
de lange eeuwigheid van mijn bedroefde dagen,
mijn leven zonder vreugd, mijn eindeloze smart
en haar verstaalde ziel in een metalen hart.
Een zee van tranen stond in mijn gezwollen ogen,
uit mijn benauwde borst kwam zucht op zucht gevlogen.
Ik bad haar om genâ, om ’t einde van mijn nood
óf door haar wedermin, óf door een rasse dood.

Z’ ontsloot het schoon koraal*, de zeilsteen* van de kusjes,
de haven van mijn ziel, de speelhof van de lustjes,
haar lipjes gingen op*, zij sprak mij aldus aan:
‘Vermoordt uw ogen niet en laat uw wenen staan.
Zij, die u heeft gekwetst, kan u weerom genezen;
zij, die is wreed geweest, kan u weer gunstig wezen;
zij, die uw hart bezit, maakt einde aan uw pijn
en geeft u ’t haar weerom, en wil de uwe zijn.’
O vriendelijk bedrog! O zoete dromerijen!
Helaas, hoe kort is het geluk van wie er vrijen,
want als ik met een kus haar lieve mond genaak
(ha, korte droom-geneugt!), voel ik dat ik ontwaak.

Ik heb nog lang daarna met aangename grepen*
geveinsd te dromen, en mijn ogen toegenepen:
Maar, laas*! de vaak* verging, en ik bevond daarnaar*
mijn vreugde vals te zijn en mijne droefheid waar.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

 

klagen = beklagen
koraal = rode lippen
zeilsteen = magneet
op = open
grepen = listen
laas = helaas
vaak = slaap
daarnaar = toen

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter