Gedicht: Jacob Westerbaen • Aan juffrouw A.G. toen ik wat aspergeplanten aan haar zond

Aan juffrouw A.G. toen ik wat aspergeplanten aan haar zond

Gij wenst asperges in uw hof,
wat beddens zoudt gij wel begeren;
uw man sloeg het geheel niet of,
des kom ik u wat plant vereren,
opdat het daar niet aan en schort.
Nu schort het maar aan vuiligheden,
maar waar veel hooi gegeten wordt
daar is het immers recht en reden
dat men daar ook niet weinig k*k,
gelijk het niet en placht te missen
(of ’t oude spreekwoord kreeg een krak),
dat die veel drinkt ook veel moet pissen.
Het scheelt dan maar aan vuiligheid,
maar daar wil ik mij niet mee moeien,
alleen dient u te zijn gezeid:
de vetste str*nt komt van de koeien.
Maar zo de roggeakker roept:
‘Daar is niet voor de hof te krijgen,
mijn smeer en dient mij niet ontsnoept’,
zo ziet het af met paardenvijgen.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter