Dokterstaal als hermetische poëzie

Door Nico Keuning 

Een onlangs opgelopen blessure aan mijn rechterknie bleek na een bezoek aan het ziekenhuis geen te genezen tijdelijk letsel maar het slotakkoord van een jarenlang slijtageproces. ‘Artrose,’ luidde het vonnis. Ik ervoer het als de straf voor een sportief leven van dertig jaar voetballen, schaatsen en wielrennen. Als amateur en liefhebber wel te verstaan. Als ‘sportsman’, zoals Herman Gorter zei, ga ik geheel anoniem ten onder.

Artrose? Dat is iets voor bejaarden, oude mensen. Ik had een ‘knieblessure’ doordat ik mij had verstapt op de voetbaltribune (het veld behoorde al tientallen jaren tot de verleden tijd). De stoïcijnse huisarts schreef een verwijzing naar de fysiotherapeut. In de ‘gym’ zag ik uitsluitend bejaarden, op een jonge vlinder na die tijdens een potje hockey geblesseerd was geraakt. Met haar kon ik praten. 

Na zo’n anderhalve maand beenspieroefeningen (‘gamen’: op een beeldscherm slalommend van een skipiste naar beneden tussen de paaltjes, door met de voeten met meer en minder kracht tegen een stalen plaat te duwen) vond de fysiojongen het mooi geweest: ‘Ik vind het een mooie score.’ Genezen, dacht ik. Maar tijdens een rondje op de racefiets bleef de knie hinderlijk voelbaar aanwezig. Pas nadat ik drie weken in de bergen had gewandeld voelde ik de knie soms niet. Dacht ik er niet eens meer aan, zoals het hoort. Het lichaam bestaat niet.

De pijn kwam terug en de afspraak met de orthopeed die ik eerder had afgezegd, werd opnieuw gemaakt. Een röntgenfoto. Ik dacht aan Hans Castorp in de roman De Toverberg, van Thomas Mann. Het menselijk lichaam, het zichtbare geraamte, het skelet als symbool van vergankelijkheid… De vrouwelijke verpleegkundige wees op het beeldscherm naar de nauwe openingen in mijn knieschijf, waarop het kraakbeen niet te zien was. Aan een kant was de opening niet groter dan een spleet. Artrose. Slijtage. Ik kon het niet langer ontkennen. Het perspectief bestond uit drie fasen: medicijnen slikken, injecties, prothese.

Slikken en prikken. Waarom niet meteen prikken? Na thuiskomst stuitte ik min of meer bij toeval op de Volkskrant-column van huisarts Joost Zaat, waarin de verwijzingen van een orthopeed voor een ‘versleten knie’ ter sprake komt. Een verwijzing met wetenschappelijke onderbouwing om ‘geen injectie te geven: die veel gebruikte injecties met corticosteroïden laten het kraakbeen in een “versleten knie” alleen maar sneller dunner worden.’ Doe dus niets, luidt het advies. Gewoon bewegen en af en toe een paracetamol.

De radioloog toverde op zijn scherm mijn medisch-historisch dossier tevoorschijn. Een meniscusblessure aan de linkerknie in 2002. Dat werd een ‘kijkoperatie’. Er bleek toen ook een MRI-scan van mijn goede rechterknie gemaakt te zijn. Hoewel, goede. ‘Beginnende patellofemorale artrose,’ lees ik in het MRI-verslag. Patélla is knieschijf. Zoiets als beginnende knieschijfslijtage dus. ‘Er is uitgebreide chondropathie, zowel in mediaal als laterale kniecompartiment waarbij met name in het laterale kniecompartiment het kraakbeen extreem afgenomen is in dikte.’ Duidelijke taal. Daar heb ik zeventien jaar geleden overheen gelezen. Hoeveel heb ik in die jaren gewandeld, geschaatst, gefietst! De vele klimmetjes in Duitsland, België, Frankrijk, Zwitserland en Italië. De gevolgen zijn zichtbaar op de recente röntgenfoto. In feite fiets ik al bijna twee decennia postuum.

De conclusie van het MRI-verslag leest als repeterende dokterstaal. Een staaltje hermetische poëzie: 

Chondromalacie in mediale kniecompartiment
meer dan lateraal met subchondrale cystevorming
in de laterale femurcondyl als nieuwe bevinding
bij pre-existent aanwezig beenmergoedeem
in de mediale femurcondyl.

Naast mij op tafel ligt een doosje met dertig ‘harde capsules’ Celecoxib Aurobindo. Zou het op de dopinglijst staan? Ach, voor mij resten nog slechts fysiotherapeutische ritjes. Mijn heldenjaren zijn voorbij.