Ciaciao

Door Marc van Oostendorp

Van de week klaagde iemand in een reactiepaneel op dit blog dat de geesteswetenschappen zo weinig ontdekken, maar die klacht is ongegrond, er worden aan de lopende band dingen ontdekt, in ieder geval door mij. Let op! De ontdekking van de week: het Nederlands lijkt op het Ilokano.

Het begon van de week op Twitter met iemand die zich erover verbaasde dat hij zo vaak doei doei zei. Iemand anders dacht dat ik daar weleens over had geschreven, maar ik kende die hele persoon niet, laat staan dat ik erover had nagedacht waarom hij zo vaak doei doei zei.

Al snel ging de discussie echter een interessante kant op. Iemand (nee, niet iemand: de bekende taalkundige, biograaf van Piet Grijs en journalist Liesbeth Koenen) merkte tussen neus en lippen op dat veel mensen eerder doedoei zeggen. En daarop zei de wetenschapscommunicator en taalkundige Iris Roggema: ja, ik zeg geloof ik ook ciaciao en momoi. En toen zei Liesbeth, ik geloof voor de grap: we hebben een generalisatie.

Maar ik denk dat we hier inderdaad iets bij de hand hebben.

Weggehakt

Het Nederlands grossiert niet in het verschijnsel dat we reduplicatie noemen. In sommige talen kun je bijvoorbeeld een meervoud vormen door een woord te herhalen (te redupliceren). In het Indonesisch betekent orang mens en orang orang mensen.

Nu is het herhalen van een heel woord nog niet zo interessant, maar in sommige talen herhaal je alleen een stukje van het woord. In het Ilokano kun je bijvoorbeeld de eerste lettergreep van een woord herhalen. Als je er dan nog een voorvoegsel si voorzet, maak je van een zelfstandig naamwoord een werkwoord:

  • jyaket ‘jasje’ (van het Engelse jacket), si-jya-jyaket ‘een jasje dragen’
  • pandiling ‘jurk’, si-pa-pandiling ‘een jurk dragen’.

Het tweede voorbeeld laat zien dat ik daarnet niet precies was. De eerste lettergreep van pandiling is pan, maar in de kopie staat er alleen pa. Dit komt doordat je alleen een ‘lichte’ lettergreep kopieert: een lettergreep met alleen een korte klinker en daarna niets meer. Alles na de (eerste) klinker wordt dus weggehakt.

Momoi

Dit is een curieus verschijnsel dat in meer, vooral Austronesische, talen voorkomt; het wordt in de literatuur light syllable reduplication genoemd (dat valt te googelen). Ik gebruik het denk ik al twintig jaar in inleidende colleges fonologie omdat het iets zegt over de realiteit van lettergrepen: dat zijn niet alleen dingen die we gebruiken om woorden af te breken in geschrift, maar die in sommige talen ook moeiteloos worden ingezet om nieuwe woorden te maken.

Maar in al die jaren heb ik er nooit bij stil gestaan dat het Nederlands dit ook heeft, zij het in een klein uithoekje van de taal, die van de groeten. Mijn taalgevoel stemt desalniettemin geheel overeen met dat van Liesbeth en Iris: het is doedoei, ciaciao en momoi. En dat zijn vormen met precies het soort light syllable reduplication dat het Ilokano gebruikt.

Wat is dat nu voor ontdekking? Het voegt allereerst een stukje toe aan ons beeld van wat iemand precies weet die Nederlands kent. Dat blijkt een enorme vracht aan heel veel, heel gedetailleerde weetjes te zijn. Niemand heeft het allemaal ooit beschreven, dit feitje is voor zover valt na te gaan volkomen onbekend in de literatuur, maar kennelijk hebben Liesbeth, Iris en ik het toch ooit ergens opgepikt. Sterker: ik zeg nooit moi en ken niemand die moi zegt, maar ik begrijp meteen dat je het kunt uitbreiden tot momoi. Mijn taalgevoel weet dus dat er een regel is.

Hemelbestormend

Dat heel precies in kaart brengen van (willekeurig welke) menselijke taal is op zich al een gigantisch wetenschappelijk project dat decennia vergt van almaar nieuwe mensen die op Twitter opeens zeggen: hé, dit zeg ik iedere dag, hoe zit dat eigenlijk in elkaar? Ik vind dit een heel charmant aspect van mijn vak, dat ik na decennia op de taal letten nog steeds dit soort ontdekkinkjes doe.

Maar er zitten meer vragen aan vast aan dit schijnbaar kleine feitje. Wat vertelt het ons bijvoorbeeld over de mens, en over zijn taal, dat een verschijnsel als reduplicatie altijd, in alle talen waar het voorkomt, gebruik maakt van klankeenheden als de lettergreep, de voet (een eenheid van twee lettergrepen waarvan er één klemtoon heeft) of het woord? Waarom komen precies die dingen ook anderszins steeds weer terug als we naar de klankvorm van woorden in menselijke talen kijken?

Dat zijn allemaal heel grootse vragen, die ons uiteindelijk iets moeten vertellen over hoe de mens in elkaar zit, maar die eindeloze vlijt en doorzettingsvermogen vereisen. We verwerven vaak kennis niet door voortdurend allerlei verbazingwekkende grote dingen te ontdekken, maar door reeksen van dit soort heel kleine feitjes op een rij te zetten en langzaam te integreren in een groot verhaal. Ik geloof zelfs veel meer in die methode dan in al het getetter en geschetter van steeds weer nieuwe hemelbestormende inzichten.