Afsluitdijk revisited

Door Jos Joosten

Monument op de Afsluitdijk met disproportioneel lange ledematen. Bron: Wikimedia

Het valt me op dat wanneer ik op deze plek iets meer ‘analytisch’ over een gedicht of boek schrijf het – online én in de wandelgangen – steevast veel reacties oplevert: soms enthousiast (genre ‘mooi om eens zo technisch naar teksten te kijken’) en vooral ook geanimeerde discussie over wat anders geïnterpreteerd moet worden of so wie so verkeerd gezien is door uw dienaar.

Even opvallend vind ik dat dat dan veelal ‘gewone’ lezers betreft – dat wil zeggen: niet-professionele lezers. Het lijkt erop dat collega-neerlandici zich niet (meer) aan dit soort interpretatieve arbeid wagen. Nu is dat niet helemaal wáár. Proza- en poëzie-analyse behoort nog altijd tot het verplichte deel van de major Nederlands en wordt volgens mij door iedereen gezien als onmisbaar instrument voor omgang met literaire teksten. Maar tegelijkertijd is het niet meer de core business die het tijdens mijn studie nog was – waar collegereeks na collegereeks gewijd was aan oeuvre-analyse. En een analyse zoals ik die gisteren maakte van ‘Afsluitdijk’ (of die van Reints in eerste instantie) is volstrekt kansloos voor publicatie in een van onze wetenschappelijke bladen. (Terecht denk ik, maar da’s een andere kwestie.)

Van sommige reacties op mijn tekst verbaast me de strekking wel. Wat ik geprobeerd heb is het gedicht, als ik het zo mag noemen, klassiek-merlinistisch te benaderen: het kunstwerk is primair autonoom, de poëtische functie (zoals Jakobson het noemt) is dominant. Zo verwijst de ‘Afsluitdijk’ uiteraard wel naar de bestaande plek, maar primeert haar functie als symbool (afsluiten, intomen van het intuïtieve door de ratio). 

Zie bijvoorbeeld de reactie van Huub Beurskens. Eerst zwiert hij met een elegante tournure om mijn kernkwestie heen: mijn pleidooi voor Vasalis’ technische kunnen zou niet ter zake zijn, want dat ‘zijn aspecten die Martin Reints niet belicht, simpelweg omdat het (hem) daar niet om gaat.’ Ik herhaal voor de duidelijkheid Reints’ initiële opmerking nog maar even: ‘wanneer een meubelmaker zijn stoelen zo slecht zou maken als Vasalis dit gedicht, zou hij geen stoel verkopen.’ Reints opent hier dus wel degelijk de aanval op Vasalis’ ambachtelijke, technische vaardigheden en ik heb dat verwijt onder verwijzing naar formeel-technische aspecten volgens mij aardig ontkracht.

Curieuzer is de weg die Beurskens (net als enkele andere reacties) dan in slaat: klopt het gedicht wel met de werkelijkheid? Mij dunkt dit een erg reductionistische opvatting over poëziebeschouwing. Zeker van een dichter als Beurskens (en Reints) verwacht je dat ze uitgaan van het gedicht-op-zich, van de intrinsieke coherentie van de tekst. En dan maak je je er niet druk over – zoals Maarten ’t Hart, destijds nog tot grote hilariteit van velen – dat Nijhoff een nachtegaal laat zingen in een nieuwbouwwijk, terwijl die arme vogeltjes in werkelijkheid het bos nooit zouden verlaten. 

Op deze manier naar poëzie kijken – of naar kunst in brede zin – is als Picasso verwijten dat de ogen van zijn vrouwenportretten op de verkeerde plek staan, dat Zadkine geen behoorlijke handen kan kleien en dat Giacometti geen benul heeft van de menselijke anatomie. Je verwacht dat honderdvijftig jaar moderne kunst (waar Huub Beurskens overigens als geen ander in thuis is) onze blik op kunst ook wat heeft vooruitgebracht.

(Eén andere kleine feitelijke kwestie moet ikzelf wel nog uitzoeken. Eddy Warmerdam wees me erop dat het citaat dat ik aanhaal over Vasalis niet van W.F.Hermans, maar van Rudy Kousbroek zou zijn. Veel dank voor de correctie. Hoe het precies zit, weet ik nog niet, maar deze beerput zoek ik tot op de bodem uit!)