Academische gemeenschap

Door Marc van Oostendorp

Foto: Mathijs Noij, Voxweb

Ik raakte maandag zowaar een paar keer ontroerd, op het Gerecht in Leiden, temidden van de ruim duizend andere wetenschappers en studenten die de ‘Ware Opening’ bijwoonden. Het was telkens wanneer een spreker gewag maakte van het begrip academische gemeenschap.

Het is een begrip dat je helaas te weinig hoort, maar waar vooral te weinig over wordt nagedacht. Toch, besefte ik, is dat de basis, de reden waarom ik in ieder geval aan de universiteit wil werken: het idee dat kennis iets is dat je deelt, dat je eigenlijk niet eens van kennis kunt spreken als je deze niet overdraagt op anderen, en als je niet samen met anderen probeert de wereld iedere dag nog net wat beter te begrijpen.

Niets anders

Natuurlijk kun je ook buiten de universiteiten bijdragen aan de wetenschap, en soms is een onafhankelijke positie misschien te verkiezen. Natuurlijk betekent samenwerken met anderen ook altijd gedoe en tijdverspilling: ruzies over kamerplanten, vergaderingen om agenda’s gelijk te stellen, onnozele roddel bij de koffieautomaat.

De kern van het probleem is dat dit idee van een academische gemeenschap nauwelijks past in een tijdgeest waarin de mens geacht wordt zo lui te zijn dat hij of zij werkelijk geen lor uitvoert zonder allerlei prikkels tot strijd tegen zijn medemens. Allerlei dingen samen doen? Maar waarom zou iemand dan nog zijn best doen?

Maar de tijdgeest slaat de plank hier naar mijn overtuiging volkomen mis. Zeker in de wetenschap is de beste prikkel een inherente: de mens vindt het fijn om kennis te hebben en om kennis te delen. Dat is de reden om mee te willen doen aan het universitaire bedrijf, en niets anders.

Bevlogen

Die academische gemeenschap moet natuurlijk niet in zichzelf gekeerd zijn, en zich op allerlei manieren verhouden met de grotere en kleinere gemeenschappen in de buitenwereld. De kennis delen we niet alleen met elkaar maar ook met alle anderen die er belangstelling voor hebben.

Ik hoop dat Neerlandistiek daar een beetje een model voor is: we zijn een clubblad, maar van een club waarvan iedereen op ieder gewenst moment lid kan worden en die iedereen op ieder gewenst moment weer kan verlaten. Belangstelling voor ‘taal- en letterkundig onderzoek’ is genoeg.

Het is gemakkelijk om een en ander uit het oog te verliezen in de dagelijkse tredmolen en het is om allerlei redenen – egoisme en eerzucht zijn niet alleen aspecten van de tijdgeest maar natuurlijk ook van het menselijk bestaan – aanlokkelijk om de moed te verliezen. Er zit best wat rot in het huidige academische systeem; maar een ander model bestaat er niet en er is geen beter idee dan dat van de academische gemeenschap, vooral als die gemeenschap bestaat uit het soort slimme, kritische en bevlogen mensen die maandag te vinden waren op dat plein in Leiden.