Verdoken racisme in het pleidooi voor taaldiversiteit

Door Freek Van de Velde

Op het evenement TEDx USU in 2015 heeft historicus Mark Damen een lezing gehouden over het Indo-Europees, en zoals alle lezingen van de TED-franchise, kun je die gewoon online bekijken. De spreker doet heel erg zijn best om een entertainend exposé te houden, inclusief monkelend het verhaal larderen met zouteloze grappen, die bij het genre lijken te horen. Ok. Geen man overboord denk je dan: als de inhoud meevalt kun je je daar als toeschouwer wel overheen zetten…

Damen vertrekt bij de dualis van het Indo-Europees. Dat stukje grammatica ziet er schokkend exotisch uit. Een taal die naast enkelvoud en meervoud ook nog een derde getal heeft: de ‘dualis’ voor tweevoud. Damen laat zien dat die dualis nu nog doorwerkt in een paar relicten in het Engels, maar veel is er niet van over. De dualis is verdwenen. Dat hele verhaal is een opstapje voor Damen om te laten zien dat Indo-Europees niet alleen een taal is, maar een hele cultuur, en dat ons huidige wereldbeeld diepgaand beïnvloed is door dat Indo-Europees: we hebben een obsessie met het getal ‘twee’ en ‘drie’. Dan neemt de lezing een nogal spectaculaire wending: de spreker houdt een vlammend pleidooi voor het behoud van taaldiversiteit. Het idee is dat met de talen die we in ijltempo verliezen vandaag, we ook een verlies van wereldvisies meemaken. 

Taaldiversiteit

Het betoog wordt hier een beetje verwarrend: Damen zegt nu plots dat we met het verlies van de dualis blind dreigen te worden voor het feit dat de mens een diepgaand ‘tweevoudig’ wezen is (hij geeft enthousiast voorbeelden, waarvan sommige nauwelijks ter zake doen: we zijn gespiegeld volgens een links-rechts-as, we houden tête-à-têtes, en zelfs de dubbele helix van het DNA komt ter sprake). Maar eerder had hij het er juist over hoezeer we nog steeds Indo-Europees denken, in paartjes en trio’s, zelfs als onze taal vormelijk geen dualis meer heeft. Wat is het nu? Zijn we nu wel of niet geobsedeerd door tweevoud?

Het probleem met dat pleidooi van Damen over taaldiversiteit zit eigenlijk nog dieper. De achterliggende gedachte van Damen is een argument dat je wel vaker hoort: taaldiversiteit is belangrijk, en we moeten kleine talen over de hele wereld in stand houden, want zonder al die verschillende talen verliezen we het vermogen om de wereld anders te zien. Het klinkt hartverwarmend, inclusief, en is ongetwijfeld goedbedoeld. Maar als je er wat dieper over nadenkt, is het argument twijfelachtig en gevaarlijk, want er gaat een venijnige vorm van cryptoracisme achter schuil. 

Linguïstische relativiteit

Het idee dat talen een heel eigen wereldbeeld oproepen, is een variant van wat ‘linguïstische relativiteit’ (ook wel ‘linguïstisch relativisme’ of de ‘Sapir-Whorf hypothese’ of ‘Whorfianisme’) genoemd wordt: de taal die je spreekt, beïnvloedt je denken. Tot op zekere hoogte klopt dat. Er zijn zorgvuldig uitgevoerde experimenten die dat laten zien, en er zijn prachtige boeken over geschreven. Er is trouwens ook onderzoek over het Nederlands. Maar wat die onderzoeken gemeen hebben, is dat het om kleine effecten gaat: sprekers van de ene taal lijken een beetje meer aandacht te hebben voor sommige facetten van de realiteit dan sprekers van een andere taal. Verder gaat het niet. Het idee dat sprekers van verschillende talen geen toegang hebben tot elkaars wereldbeeld, dat meertaligheid je uitrust met het vermogen om een heel nieuwe verborgen realiteit te zien, daar is eigenlijk geen evidentie voor. 

Racisme

Dat soort doorgeschoten Whorfianisme is in wezen racistisch. Dat wordt helder uiteengezet in het laatste hoofdstuk van het boek The Language Hoax van John McWhorter, een van de interessantste taalkundigen van zijn generatie. Het waarderen van andere culturen kan snel omslaan in het overdrijven van het exotische karakter van die culturen. Whorfianisten is het vaak te doen om de lessen die wij, verdorven westerlingen, kunnen trekken uit de wereldvisie van andere culturen, die helemaal niet zo primitief zijn als wel gedacht wordt. McWhorter geeft goed weer hoe dit soort betoog typisch loopt: het grammaticale tijds- en aspectssysteem van deze of gene Aboriginal-taal laat zien dat de sprekers van die taal een heel andere conceptie van tijd hebben, waardoor ze minder geobsedeerd zijn door verandering, ze dus veel minder geneigd zijn vooruitgang na te streven, en veel meer bedacht zijn op behoud van de natuur. Die Whorfianisten, die andere talen bewonderen om hun unieke visie op de realiteit, halen zelden voorbeelden aan van hoe discriminatoir en seksistisch de grammatica van die talen soms is. In Bernard Comrie’s standaardwerk Language Universals and Linguistic Typology kun je lezen dat het Slavisch bijvoorbeeld een genitief-achtige accusatief heeft, die vroeger gebruikt werd voor mannelijke, volwassen, vrijgeboren, gezonde mensen, en niet voor vrouwen, kinderen, slaven of kreupelen. Is zo’n wereldbeeld ook verrijkend? Betekent de grotere morfologische eenvoud van etnolectische variëteiten van het Engels of het Nederlands ook dat de sprekers van die variëteiten de wereld minder subtiel waarnemen? Dat zijn vragen die niet altijd gesteld, laat staan beantwoord worden. En het antwoord is wellicht: nee. Hoe dan ook is het het een of het ander: ofwel is het wereldbeeld dat opgeroepen wordt in ‘exotische’ talen radicaal anders, ofwel loopt het niet zo’n vaart en kun je gemakkelijk over linguïstische barrières heen stappen.

De wereld verliest zijn taaldiversiteit: de helft van de talen dreigt te verdwijnen tegen het einde van de eeuw. Er valt heel wat voor te zeggen om voorzichtig om te springen met dit broze culturele erfgoed. Maar het argument dat door het uitsterven van talen we ook de rijkdom van wereldbeelden verliezen houdt weinig steek, en het is bizar dat dat argument zo vaak gebruikt wordt.