Taal, internet en identiteit

Eindelijk een goed boek over internettaal

Door Marc van Oostendorp

Ik ben altijd wat sceptisch geweest over iedereen die beweert wat te kunnen zeggen over de eigenaardigheden van internettaal. Alles op internet verandert voortdurend, er zijn bovendien miljarden mensen bij betrokken die zich helemaal niet allemaal van elkaar bewust zijn en dus ieder hun eigen conventies volgen, wat weten we ervan. Twee jaar geleden schreef ik hier nog letterlijk dat ik dacht dat het ‘te vroeg was voor een boek over emoji’.

Maar nu denk ik dat niet meer. Dankzij het boek Because Internet van de jonge Canadese ‘internet-taalkundige’ Gretchen McCulloch. Eindelijk iemand die goed naar de taal op het internet gekeken heeft! Eindelijk iemand die erover heeft nagedacht!

Dagboeken

Want McCulloch’s boek is een genoegen om te lezen, juist doordat ze duidelijk over een en ander heeft nagedacht. Ze heeft onderzoek gedaan – zowel met vragenlijsten en andere kwantitatieve gegevens als op een kwalitatieve manier, door vele jaren onder de internetbevolking te bivakkeren. Ze weet over allerlei onderwerpen – de vraag of de sociale media bijdragen aan taalverandering, de vraag hoe chats gestructureerd worden, en, ja, wat de taalstatus van emoji is – interessante dingen te melden.

McCulloch doet dat vooral door een historisch-sociologische benadering van taal en internet te kiezen. Because Internet kun je lezen als een sociologische studie van het internet met de taal als een focuspunt. Zo geeft ze een beschrijving van de verschillende ‘generaties’ internetgebruikers die er zijn geweest – van de oudste generatie voor wie internettaal nog voor een belangrijk deel bestond uit technisch jargon zoals het gebruik van het internet zelf inzicht in computers vereiste, tot de jongste die misschien bedreven is in het sociaal gebruik van de techniek, maar nauwelijks kennis heeft van wat er onder de motorkap gebeurt.

McCulloch weet een en ander te larderen met nostalgische voorbeelden voor degenen die het hebben meegemaakt. Zo haalt ze een vroege voorloper van de sociale media aan, de zogeheten ‘webring’, waarin vrienden en vriendinnen hun eigen weblogs (die vooral dagboeken waren) aan elkaar koppelden. Als lezer sprong je zo van het ene weblog naar het andere. Wiens hart nu even overslaat, zat aan het begin van deze eeuw ook al op internet.

Verzachten

Op deze algemene sociologische karakteristieken bouwt McCulloch vervolgens haar analyses. Zo merkt ze op dat niet alle sociale netwerken een even sterke rol spelen in taalverandering – een simpele constatering die ik in ieder geval nog nooit eerder ergens had gelezen. Op Twitter word je aangemoedigd mensen te volgen die je nog nooit hebt ontmoet, terwijl je op Facebook vooral vrienden maakt met mensen die ook elders al je vrienden zijn. En zo werd Twitter een belangrijkere bron voor taalinnovatie, memen en sociale bewegingen dan Facebook.

Een heel aardig hoofdstuk is dat over typografie, en de manier waarop mensen hoofd- en kleine letters, tildes, en emoticons zijn gaan inzetten. Stel dat je een bericht als het volgende krijgt van je baas:

Everyone else has already submitted their report. You are the LAST!:)

Dan zijn de hoofdletters van LAST allang geen schreeuwen meer, en zelfs geen nadruk, en betekent het emoticon niet per se dat er gelachen wordt. Eerder heeft McCulloch dan al een meesterlijke beschrijving gegeven van de geschiedenis van LOL/lol: van een verkorte manier van uitdrukken dat de schrijver werkelijk achter zijn toetsenbord hardop heeft zitten lachen, tot een lettercombinatie die je toevoegt om een anders te strenge boodschap een beetje te verzachten.

Door elkaar praten

Het hoofdstuk over emoji is ook een genoegen om te lezen. Nadat McCulloch duidelijk heeft gemaakt dat emoji zeker geen taal op zich zijn – je kunt er echt alleen heel simpele boodschappen in uitdrukken, laat ze overtuigend zien (“er is niet eens een manier om ‘emoji’ te zeggen in emoji, laat staan de inhoud van deze paragraaf weer te geven”) geeft ze een overtuigende analyse van wat ze wel zijn: wat in de gebarenanalyse ‘emblemen’ worden genoemd, gebaren met een specifieke, deels cultuurafhankelijke betekenis (de duim omhoog of de gestrekte middelvinger betekenen niet in alle culturen hetzelfde).

Ook het hoofdstuk over chats bevat een eenvoudige observatie die ik nooit had gemaakt en die toch veel inzicht biedt in taal – in dit geval in de structuur van gesprekken. Het is technisch mogelijk dat je in chats rechtstreeks ziet wat je gesprekspartner aan het typen is, sterker nog: in het verleden werkten sommige chatfuncties zo. Inmiddels is er geen enkel chatprogramma meer dat zo werkt, allemaal laten ze je korte mededelingen in hun geheel versturen – mededelingen die doorgaans de lengte hebben van de ‘beurt’ in een gesprek. Dat laat kennelijk het grote belang zien dat wij mensen over de hele wereld aan die organisatie van een gesprek in beurten hechten. Dat er nu soms twee mensen ieder aan hun kant een beurt zitten in te typen en dus ‘door elkaar praten’ hindert daarbij kennelijk niemand.

Sfeer

Het boek mondt bovendien uit in een aardige ‘nieuwe metafoor’. Lang werd de taal, zegt McCulloch, gezien als een boek, om preciezer te zijn als een woordenboek: daarin zou de hele taal, keurig geordend en van de ‘correcte’ informatie voorzien, zijn opgeslagen. Het is beter om taal te zien als het internet: een eindeloze verzameling aan elkaar gekoppelde feiten, woorden en zinnen, waarvan sommige fijn en mooi en prettig zijn en andere naar en lelijk en onaangenaam.

Taal is niet gebaseerd op statische zaken als een woordenboek of een grondwet, maar op almaar veranderende bronnen van identiteit.

Wat me opviel is dat McCulloch zich regelmatig als een taalkundige definieert, en wel op een heel andere manier dan ik zou doen of de meeste andere mensen die ik ken – alsof de taalkunde een subcultuur is, alsof taalkundige zijn een vorm is van culturele identiteit. Ik geloof niet dat ze zelf bedoelt om een relatie te leggen tussen die opmerkingen over haar taalkundigenschap en het thema van haar boek. Ze vertelt een anekdote over hoe gespitst ze als kind al was op opvallende taalverschijnselen, ‘kenmerkend voor taalkundigen’, ze vertelt dat ze zo graag de LinguistList leest, ze heeft specifiek taalkundige memen gemaakt.

McCulloch maakt trouwens sinds enige tijd een podcast over taal en taalwetenschap, Lingthusiasm, dat een soortgelijke sfeer ademt.

Te laat

Het is misschien een verschil tussen generaties; ik heb het idee dat je dit sentiment ook in Nederland wel vindt bij pakweg promovendi en pas gepromoveerden. Misschien heeft ook dat wel met de komst van het internet te maken. Als jonge taalkundige kende ik vijfentwintig jaar geleden hooguit een paar andere promovendi van mijn eigen universiteit en nog minder van andere (Nederlandse) universiteiten, en van één buitenlandse universiteit, de Universiteit van Massachusetts, waar ik een paar maanden verbleef omdat ‘het’ daar toen gebeurde in mijn eigen specialisatie. Dat was te weinig basis voor een subcultuurtje met eigen grappen, een eigen krant, enzovoort.

Ik ben getrouwd met een taalkundige en droom ’s nachts over taal, maar dat identiteitsbesef heb ik niet ontwikkeld. Omdat het internet voor mij wat dat betreft net wat te laat kwam. Dat inzicht lijkt McCulloch zelf net te zijn ontgaan, maar het interessante is dat het precies in haar betoog past.

Gretchen McCulloch. Because Internet. Understanding the New Rules of Language. London: Penguin Random House, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.]